Bekering en discipelschap in het Oude Testament

Bekering en discipelschap zijn begrippen uit het Nieuwe Testament.
Het lijkt er nochtans op dat God voor deze begrippen een parallel heeft gegeven in de wetgeving op de slavernij van het Oude Testament.

Het Oude Testament als plaatjesboek.

Het Oude Testament wordt wel eens het plaatjesboek van het Nieuwe Testament genoemd. Jezus zei dat de geschriften van het Oude Testament vertellen over wie Hij is (Johannes 5:39).
Elk onderdeel van de tabernakel en al de wetten betreffende de priesterdienst en de offers hebben een diepe geestelijke betekenis, die allemaal wijzen op Jezus.
Zo kwam Jezus op de weg naar Emmaüs in gesprek met twee mannen:

En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften (het Oude Testament) op Hem betrekking had.   (Lukas 24:27)

Als voorbeeld van wat er met Hem zou gebeuren haalde Hij Jona aan, die drie dagen in de buik van de vis verbleef (Mattheüs 12:40) en als toekomstig beeld van de maatschappij, de tijd van Noach en Lot (Lukas 17:26-30).

Zo zag Paulus in de geschiedenis van het Joodse volk een waarschuwing voor een heilige levenswandel en schreef:

Dit is hun overkomen tot een voorbeeld en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons.   (1 Corinthiërs 10:11)

Bekering en discipelschap zijn niet letterlijk in het Oude Testament terug te vinden.
Wel is hiervan een parallel te vinden in de wetgeving op de slavernij, in de persoon van de Hebreeuwse man of vrouw die zich als slaaf verkoopt, zoals geschreven staat:

Wanneer uw broeder, een Hebreeuwse man, of een Hebreeuwse vrouw, zich aan u verkoopt, …   (Deuteronomium 15:12)

Deze wetgeving op de slavernij samengevat.

De Hebreeuwse man.
De Hebreeuwse man of vrouw is iemand uit het Joodse volk, een Israëliet onder de Israëlieten, die om een bepaalde reden niet meer in zijn eigen levensonderhoud kon voorzien.

Wanneer uw broeder verarmt en zich bij u niet meer staande kan houden, …   (Leviticus 25:35)

De Hebreeuwse slaaf.
Om te overleven kon deze man zichzelf als slaaf te koop aanbieden.

Wanneer uw broeder verarmt bij u en zich aan u verkoopt, …   (Leviticus 25:39)

Hebreeuwse mensen werden niet gedwongen tot slavernij, want:

Wanneer iemand betrapt wordt, terwijl hij een mens, een van zijn broeders, uit de Israëlieten, rooft, en hem als slaaf behandelt en verkoopt, dan zal die dief sterven.   (Deuteronomium 24:7)

Zij mochten ook niet beschouwd worden als koopwaar.

zij zullen niet verkocht worden, zoals men een slaaf verkoopt.   (Leviticus 25:42)

De omgang met de Hebreeuwse slaaf.
Al had de heer de Hebreeuwse man als slaaf ‘gekocht’, hij mocht hem niet naar eigen willekeur behandelen. Hij mocht hem niet als zijn ‘bezit’ beschouwen.

… gij zult hem geen slavenarbeid laten verrichten.   (Leviticus 25:39)

Gij zult niet met hardheid over hem heersen,…   (Leviticus 25:43)

… over uw broeders, de Israëlieten, zult gij niet, de een over de ander, met hardheid heersen.   (Leviticus 25:46)

Als een dagloner, als een bijwoner zal hij bij u zijn.   (Leviticus 25:40)

De Hebreeuwse slaaf diende slechts voor een bepaalde termijn.
De Hebreeuwse man verkocht zich voor de tijd tot het jubeljaar, of voor de termijn van zes jaar. In het jubeljaar, of in het zevende jaar moest de heer hem weer als een vrij man laten vertrekken.

tot het jubeljaar zal hij bij u arbeiden. Dan zal hij van u weggaan, …   (Leviticus 25:40)

Wanneer gij een Hebreeuwse slaaf koopt, zal hij zes jaar dienen, maar in het zevende jaar zal hij om niet als een vrij man weggaan.   (Exodus 21:2)

Indien een gehuwd man zich als slaaf verkocht, mocht hij later samen met zijn vrouw vertrekken.

Indien hij alleen gekomen is, zal hij alleen weggaan; indien hij gehuwd was, dan zal zijn vrouw met hem weggaan.
(Exodus 21:3 / Leviticus 25:41)

Maar:

Indien zijn heer hem een vrouw gegeven heeft en zij hem zonen of dochters gebaard heeft, zal de vrouw met haar kinderen het eigendom blijven van haar heer, en hij zal alleen weggaan.   (Exodus 21:4)

De heer was verplicht ‘een gouden handdruk’ mee te geven aan de slaaf die vertrok.

En wanneer gij hem vrij laat weggaan, zult gij hem niet met lege handen laten gaan; gij zult hem met mildheid meegeven van uw kleinvee, van uw dorsvloer en uw perskuip; van datgene waarmee de HERE, uw God, u gezegend heeft, zult gij hem geven.   (Deuteronomium 15:12-14)

De Hebreeuwse slaaf was niet verplicht om te vertrekken.
De Hebreeuwse slaaf kon kiezen om te vertrekken, maar ook om zijn heer te blijven dienen.

Maar wanneer hij tot u zegt: Ik wil niet van u heengaan, omdat hij u en uw gezin liefheeft, daar hij het goed bij u heeft, …   (Deuteronomium 15:16)

Maar indien de slaaf nadrukkelijk zegt: Ik heb mijn heer, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet als vrij man weggaan, …
(Exodus 21:5)

Deze beslissing voor het leven werd bevestigd en openbaar gemaakt.
Het verlangen van de Hebreeuwse man om zijn heer de rest van zijn leven als slaaf te blijven dienen moest officieel bevestigd worden.

… dan zal zijn heer hem bij de goden (Elohiym) brengen, …   (Exodus 21:6)

‘Elohiym’ wordt in dit Bijbelvers vertaald door ‘goden’, volgens de vertaling NBG51.
Nochtans wordt in het O.T. ‘Elohiym’ in bijna alle 2.241 verzen vertaald door ‘God’.
Ook de Naardense Bijbel vertaalt door ‘God’ evenals de Franse vertaling Louis Segond door ‘Dieu’.
Groot Nieuws en de NBV, vertalen in dit vers met ‘heiligdom’.
Het Boek vertaalt door ‘rechters’ en de Engelse NIV vertaling door ‘judges’.

In ieder geval werd de verbintenis tussen de Hebreeuwse slaaf en de heer a.h.w. gesloten voor de troon van God, of bekrachtigd door rechters
In beide interpretaties betreft het een officiële bekendmaking voor een ‘hogere instantie’, waardoor het besluit van de Hebreeuwse slaaf een verbintenis voor het leven werd, die niet verbroken kon worden.

Deze beslissing werd ook openbaar gemaakt.

… dan zult gij een priem nemen, en die door zijn oor in de deur steken, opdat hij voor altijd uw dienstknecht zij.
(Deuteronomium 15:17 / Exodus 21:6)

Deze wetgeving gold ook voor de Hebreeuwse slavin.
Deze wetgeving gold zowel voor de mannen als voor de vrouwen.

Ook met uw dienstmaagd zult gij zo doen.   (Deuteronomium 15:17)

De symboliek in de wetgeving.

De Hebreeuwse man of vrouw.
In de Hebreeuwse man of vrouw zou de bekeerde mens gezien kunnen worden.

De Hebreeuwse man of vrouw was niet alleen een nakomeling van Abraham vanwege natuurlijke afstamming door geboorte, maar hij behoorde tot Gods volk, omdat hij of zij geacht werd te leven zoals Abraham, die in God geloofde.

Zoals de Hebreeuwse man nageslacht van Abraham was door het geloof, zo worden zij die tot bekering gekomen zijn, tot geloof in Jezus Christus, gerekend tot het geestelijk nageslacht van Abraham.

De apostel Paulus schreef:

Abraham geloofde God en het is hem tot gerechtigheid gerekend.   (Galaten 3:6)

(zo wordt ook) … de mens gerechtvaardigd uit het geloof in Christus Jezus.   (Galaten 2:16)

Hij concludeerde:

Gij bemerkt dus, dat zij, die uit het geloof zijn, kinderen van Abraham zijn.   (Galaten 3:7)

Zij, die uit het geloof zijn, worden dus gezegend tezamen met de gelovige Abraham.   (Galaten 3:9)

De Hebreeuwse man kon zich niet staande houden.
In het Nieuwe Testament staat vermeld hoe een Israëliet, die tot Jezus kwam, Hem vroeg:

Meester, wat voor goed moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?   (Mattheüs 19:16)

Jezus antwoordde:

Indien gij het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden.   (Mattheüs 19:17)

Toch bleek het houden van de wet hem in zijn hart geen volle zekerheid te geven, want hij vroeg:

Dat alles heb ik in acht genomen; waarin schiet ik nog te kort?   (Mattheüs 19:20)

Hier blijkt de leegte, de geestelijke armoede, zoals ook Paulus verzuchtte:

Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?   (Romeinen 7:24)

Paulus erkende dat het houden van de wet strijd leverde in zijn binnenste:

Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet. Niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik.   (Romeinen 7:18-19)

De natuurlijke mens die tot bekering is gekomen, ondervindt doorgaans grote moeite om bewust als een discipel van Jezus en volgens de wil van God te leven.

Het beeld van de Hebreeuwse man die zich niet staande kon houden en verarmde.

De Hebreeuwse man verkocht zich als slaaf – parallel van discipel van Jezus.
In de Hebreeuwse man die zich als slaaf verkocht, kan de bekeerde mens gezien worden, die bewust beslist om zijn leven volkomen onder het gezag en de autoriteit van de Heer Jezus te plaatsen.
Dit zou gezien kunnen worden als een beeld van de discipel van Jezus.

De Hebreeuwse man die verarmde stelde zichzelf onder het gezag en de autoriteit van de heer.
Hij liet het beheer over zijn eigen leven los en verkocht zich als slaaf.
Zoals Paulus slechts één oplossing zag in zijn frustratie:

Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?   (Romeinen 7:24)

Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!    (Romeinen 7:25)

En Jezus zei tot de Israëliet, die ontdekte dat hij in zijn leven nog iets te kort kwam:

Indien gij volmaakt wilt zijn, … kom hier, volg Mij.   (Mattheüs 19:21)

Het leven van een Hebreeuwse slaaf – parallel van discipelschap.
Iemand die als slaaf in het huis van de heer kwam moest zijn oude leven en zijn oude gewoontes volkomen loslaten, om te kunnen leven volgens de normen en gewoontes in het huis van de heer.
Hij kwam onder het gezag en de autoriteit van de heer, waardoor veel zorgen en verantwoordelijkheden van hem afvielen. Vanaf nu moest hij zich enkel toeleggen op het correct uitvoeren van de opdrachten die de heer hem gaf.
Hij kreeg een slaapplaats, kleding en voedsel en alles wat er nodig was om zijn werk goed te kunnen doen.
Gezien de wet op de slavernij werd hij goed behandeld en, als hij dat verkoos, kon hij weer op de vastgestelde termijn als een vrij man uit het huis van de heer vertrekken.

Jezus volgen is een vrijwillige keuze.
Jezus dwingt nooit iemand om Hem te gehoorzamen.
Niemand wordt verplicht zijn leven aan Jezus toe te vertrouwen. Iedereen kan ook vrij beslissen om weer bij Hem weg te gaan.
Maar, Jezus zal iedereen die zich aan Hem ‘verkoopt’ van levensonderhoud voorzien en van alles wat er nodig is, om de opdrachten die Hij geeft te kunnen uitvoeren.
Hij zei:

Maakt u dan niet bezorgd, door te zeggen: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmee zullen wij ons kleden? Want naar al deze dingen gaat het zoeken van de heidenen uit. Want uw hemelse Vader weet, dat gij dit alles behoeft. Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden.   (Mattheüs 6:31-33)

Discipelschap is een keuze voor het leven.
De wetgeving uit het O.T. noemt een aantal redenen waarom een slaaf besliste om de heer te blijven dienen voor de rest van zijn leven.

  • hij had het goed bij de heer.
  • hij had de heer lief.
  • hij had het gezin van de heer lief.
  • hij had zijn vrouw, die hij van de heer ontvangen had en zijn kinderen lief.
    (zij moesten zelfstandig beslissen of zij op het einde van hun termijn zouden vertrekken of de heer voor altijd blijven dienen)

Discipelschap betekent dat iemand Jezus erkent als de hoogste autoriteit in zijn leven en zich stelt onder zijn gezag en liefdevolle leiding, omdat hij:

  • Jezus liefheeft.
  • de gemeente (het gezin) liefheeft.
  • zijn verantwoordelijkheid opneemt voor de mensen die mede door zijn toedoen Jezus als hun Heer hebben aangenomen.

Deze beslissing werd bevestigd in de ‘geestelijke’ wereld.
De beslissing van de slaaf, om voor altijd verbonden te blijven aan het huis van de heer, werd bevestigd:

  • door hem bij de goden (God, de rechters) te brengen.

De overeenkomst werd bevestigd, door de beslissing van de slaaf te herhalen voor God of de officiële instantie (afhankelijk van de Bijbelvertaling).

De beslissing van de bekeerde mens, de christen, om Jezus in elk detail van zijn leven te willen dienen zal bevestigd worden, op dezelfde manier als bij de bekering, zoals Paulus hierover schreef:

… met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis.   (Romeinen 10:10)

Volgens Paulus wordt een mens behouden en ontvangt hij eeuwig leven in de tegenwoordigheid van God, als hij zijn geloof in Jezus Christus met de mond belijdt.
Anders gezegd: dit hoorbaar hardop uitspreekt.

Zo zal de bekeerde mens, die Jezus heel zijn verdere leven wil dienen en zich bewust onder Zijn gezag en de autoriteit heeft geplaatst, hardop in gebed zijn beslissing moeten uitspreken.
Men komt dan als slaaf in het huis van God om uiteindelijk aangenomen te worden als Zijn kind.

Dit is discipelschap, de praktijk waar Johannes over schrijft in het begin van zijn evangelie:

Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen van God te worden, hun, die in zijn naam geloven.   (Johannes 1:12)

Hierbij maakt God geen onderscheid tussen man of vrouw. Hij houdt ook geen rekening met de leeftijd waarop de bekeerde mens zijn leven aan Jezus toevertrouwt.
Iedereen die Jezus voor de rest van zijn leven wil dienen, ontvangt het eerstgeboorterecht, zoals geschreven staat:

Maar gij zijt genaderd … tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, … en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God, de Rechter over allen, … en tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, …   (Hebreeën 12:22-24)

Het is haast niet te bevatten, maar dit is hetzelfde recht als van De Eerstgeborene, de Heer Jezus Christus zelf.
Zoals Paulus schreef:

Want die Hij (God) tevoren gekend heeft (hen die God liefhebben), heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van zijn Zoon, opdat Hij (Jezus) de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders (en zusters).   (Romeinen 8:28-29)

De beslissing werd bevestigd in de ‘zichtbare’ wereld.
De keuze van de slaaf werd openbaar gemaakt door hem:

  • met een priem door zijn oor aan de deur te bevestigen.

Door de slaaf met zijn oor aan de deur vast te pinnen, werd duidelijk aan iedereen die het huis van de heer in en uit ging, dat deze slaaf zich er toe verbond om voor de rest van zijn leven gehoorzaam te zijn aan het huis van de heer.

Een discipel van Jezus zal Hem gehoorzaam zijn:

  • volgens wat geschreven staat in Het Woord, de Bijbel, de Handleiding voor het Leven
  • en volgens wat Jezus door de Heilige Geest in zijn hart bevestigt.

Door het blijvend teken in het oor van de slaaf werd voor de buitenwereld zichtbaar dat hij handelde in opdracht van een heer. Dit gaf een grote verantwoordelijkheid aan de slaaf, die door dit zichtbare teken het ‘visitekaartje’ van zijn heer werd.

Zo is ook een discipel van Jezus Zijn ‘visitekaartje’ in deze wereld.
Dit brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee.

Jezus zei tegen zijn discipelen:

Gij zijt het zout van de aarde.   (Mattheüs 5:13)

Gij zijt het licht van de wereld.   (Mattheüs 5:14 )

Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.   (Mattheüs 5:16)

Conclusie.

Johannes schrijft in zijn evangelie:

Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven.   (Johannes 1:12)

In Jezus gaan geloven wordt bekering genoemd.
Iedereen kan in dit stadium van bekering blijven.
Maar, wie in Jezus gelooft ontvangt de macht, de autoriteit, om een kind van God te worden.

De bekeerde mens die bewust Jezus erkent als de hoogste autoriteit in zijn leven en zich stelt onder Zijn leiding en gezag, gaat leven in een intieme relatie met Hem, als Zijn discipel en wordt door God als kind geadopteerd.

Als discipel van Jezus zal Hij aan hem (haar) grotere opdrachten geven binnen het Koninkrijk van God.

In principe is discipelschap een automatisch gevolg op bekering.
In de praktijk blijkt echter dikwijls dat iemand die tot geloof in Jezus is gekomen, Hem pas later de volledige autoriteit over zijn of haar leven geeft.

 

Deze studie downloaden in PDF:
Bekering en discipelschap in het Oude Testament.