Engelen

De Bijbel opent met de zin:

In den beginne schiep God de hemel en de aarde.   (Genesis 1:1)

Het ontstaan van de wereld wordt uitvoerig besproken in een afzonderlijke studie.
Hoe God de hemel schiep wordt in de Bijbel niet geopenbaard.
Wel is bekend dat de hemel bevolkt is met door God geschapen wezens.

In de Bijbel komen we hen tegen onder drie namen:

  • Engelen
  • Cherubs
  • Serafs.

Over de engelen.

Over de engelen is het meest bekend.

In de Bijbel komt het Hebreeuws ‘malak’ dat vertaald wordt door engel in 197 Bijbelverzen voor.
Het Grieks ‘aggelos’ dat vertaald wordt door engel komt voor in 173 Bijbelverzen.
De vertaling uit beide talen luidt: boodschapper, engel.

Het is speciaal dat de woorden ‘malak’ en ‘aggelos’ vertaald worden, zowel door engel als door boodschapper.
In het Oude Testament komt vertaling als ‘boodschapper’ en ‘gezant’ zelfs veelvuldig voor.

Twee voorbeelden voor vetaling door ‘boodschapper’:

Daarop zond Saul boden (malak) naar Isaï met het verzoek: Zend mij uw zoon David, die bij de schapen is.   (1 Samuël 16:19)

(Jezus zei over Johannes de Doper) -  Deze is het, van wie geschreven staat: Zie, Ik zend mijn bode (aggelos) voor uw aangezicht uit, die uw weg voor u heen bereiden zal.   (Lukas 7:27)

Dit benadrukt dat engelen optreden als boodschappers van God.

Engelen zijn boodschappers.

Engelen treden in de Bijbel meermaals op als boodschappers van God.

Op de vierentwintigste dag nu van de eerste maand, … sloeg ik mijn ogen op en zie, daar zag ik een man in linnen klederen gekleed en de lendenen omgord met goud van Ufaz; zijn lichaam was als turkoois, zijn gelaat schitterde gelijk de bliksem, zijn ogen waren als vurige fakkels, zijn armen en voeten glanzend van gepolijst koper, en het geluid van zijn woorden als het gedruis van een menigte … En hij zeide tot mij: Daniel, gij zeer beminde man, let op de woorden die ik tot u spreek, en ga rechtop staan, want nu ben ik tot u gezonden. Toen hij dit tot mij sprak, stond ik bevende op.   (Daniël 10:4-6,11)

De priester Zacharias bracht een reukoffer in de tempel) En hem verscheen een engel des Heren, staande ter rechterzijde van het reukofferaltaar. En Zacharias ontroerde bij dat gezicht, en vrees beving hem. Maar de engel zeide tot hem: Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elisabet zal u een zoon baren en gij zult hem de naam Johannes geven.
(Lukas 1:11-13)

In de zesde maand nu werd de engel Gabriël van God gezonden naar een stad in Galilea, genaamd Nazaret, tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, genaamd Jozef, uit het huis van David, en de naam der maagd was Maria. … En de engel zeide tot haar: Wees niet bevreesd, Maria; want gij hebt genade gevonden bij God. En zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren, en gij zult Hem de naam Jezus geven.   (Lukas 1:26-27,30-31)

Engelen zijn ook strijders.

God wordt in het Oude Testament in 246 Bijbelverzen de Here van de heerscharen genoemd.
Heerscharen wordt vertaald als: dat wat optrekt, leger, oorlogvoering.

God zei tot de profeet Nathan:  Nu dan, zo moet gij spreken tot mijn knecht, tot David: Zo zegt de HERE der heerscharen: Ik heb u gehaald uit de weide van achter de schapen, om vorst te zijn over mijn volk, over Israel, …   (2 Samuël 7:8)

De engel zei tot Daniël: Maar de vorst van het koninkrijk der Perzen stond eenentwintig dagen tegenover mij; doch zie, Michaël, een der voornaamste vorsten, kwam mij te hulp, zodat ik daar, bij de koningen der Perzen, de overhand behield; ..   (Daniël 10:13)
(zie ook: Ezechiël 28:12 – De koning van Tyrus)

Engelen hebben een belangrijke functie in het wereldgebeuren.

De engel die met Daniël sprak zei:

Terstond moet ik terugkeren om met de vorst der Perzen te strijden, en zodra ik uitgegaan ben, zie, dan zal de vorst van Griekenland komen; ..   (Daniël 10:20)

Ik (de engel Michaël) echter, ik stond in het eerste jaar van Darius de Meder hem tot een helper en toevlucht.   (Daniël 11:1)

Dit had tot gevolg, dat op politiek vlak de koning van Perzië bevel gaf de wederopbouw van Jeruzalem en van de tempel te hervatten en de tempelschatten terug te geven.
Hij bekrachtigde dit met de woorden:

Ik, Darius, heb bevel gegeven; het worde nauwkeurig uitgevoerd!   (Ezra 6:12)

 

En er kwam oorlog in de hemel; Michaël en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak (de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan – vers 9); ook de draak en zijn engelen voerden oorlog, maar hij kon geen standhouden, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden.   (Openbaring 12:7-8)

Engelen zijn ondergeschikt aan Jezus.

Als Zoon van God staat Jezus boven de engelen, want:

… tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten?   (Hebreeën 1:13)

Engelen staan onder het bevel van God en van Jezus.

Zij voeren de bevelen van God en van Jezus uit:

Looft de HERE, gij zijn engelen, gij krachtige helden die zijn woord volvoert, luisterend naar de klank van zijn woord.
(Psalmen 103:20)

want Hij (God) zal aangaande u zijn engelen gebieden, dat zij u behoeden op al uw wegen;   (Psalmen 91:11)

(Jezus zei:) Of meent gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen?   (Mattheüs 26:53)

De Zoon des mensen (Jezus) zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Koninkrijk verzamelen al wat tot zonde verleidt …
(Mattheüs 13:41)

Engelen hebben een eigen wil.

Engelen kunnen vrij kiezen om al dan niet God te gehoorzamen.

Looft de HERE, gij zijn engelen, gij krachtige helden die zijn woord volvoert, luisterend naar de klank van zijn woord. Looft de HERE, al zijn heerscharen, gij zijn dienaren, die zijn wil volbrengt.   (Psalmen 103:20-21)

… en dat Hij (God) engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid heeft bewaard gehouden.   (Judas 1:6)

Engelen zijn van een lagere orde dan de mens.

Paulus schreef:

Weet gij niet, dat wij over engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer dan over alledaagse dingen?   (1 Corinthiërs 6:3)

Engelen staan ten dienste van de mensen.

Engelen zijn actief in de zichtbare wereld.

Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, vernacht in de schaduw des Almachtigen. Ik zeg tot de HERE: Mijn toevlucht en mijn vesting, mijn God, op wie ik vertrouw … want Hij zal aangaande u zijn engelen gebieden, dat zij u behoeden op al uw wegen;   (Psalmen 91:1-2,11)

Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen, die het heil zullen beërven?   (Hebreeën 1:14)

Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg u, dat hun engelen in de hemelen voortdurend het aangezicht zien van mijn Vader, die in de hemelen is.   (Mattheüs 18:10)

Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat. (Daniël 12:1)

Over cherubs.

Cherubs worden in 66 Bijbelverzen vermeld. Zeer veel teksten hiervan hebben te maken met de bouw van de tabernakel en later van de tempel in Jeruzalem. Twee cherubs stonden op het verzoendeksel dat de ark bedekte en in het veelkleurig weefwerk moesten cherubs verwerkt worden
Alleen Ezechiël heeft cherubs in een visioen gezien, zoals hij beschrijft in hoofdstuk 10 van zijn boek.
Blijkbaar had hij cherubs al eerder gezien zoals hij schrijft in 1:1 en 3:23, en later in 43:3.

De OLB vertaalt het Hebreeuws voor cherub (keruwb) met: engelachtig wezen, als bewaker van Eden, als staande naast de troon van God
Bij het Grieks voor cherub (cheroubin) wordt een omschrijving gegeven van de twee cherubs op het verzoendeksel van de ark.

Meer uitleg over cherubs is te vinden in een afzonderlijke studie.

Over serafs.

Serafs worden enkel in het Oude Testament vermeld.
Het Hebreeuws voor seraf (saraph) is te vinden in 7 Bijbelverzen.

De OLB vertaald met:
- Saraph – is afgeleid van het werkwoord ‘saraph’ (vertaald als: (ver)branden).
- Saraph wordt vertaald als:

  • 1. Slang, vurige slang – vergiftige slang (vurig wegens het brandend gevoel van het gif)
  • 2. Seraf, serafs – majesteitelijke wezens met zes vleugels, menselijke handen en/of stem die God dienen.

Enkel Jesaja beschrijft serafs die hij gezien heeft in het visioen, waarin hij als profeet door God geroepen werd.

In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Here zitten op een hoge en verheven troon en zijn zomen vulden de tempel. Serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij. En de een riep de ander toe: Heilig, heilig, heilig is de HERE van de heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol. En de dorpelposten beefden van het luide roepen en het huis werd vervuld met rook. Toen zeide ik: Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen, en woon te midden van een volk, dat onrein van lippen is; en mijn ogen hebben de Koning, de HERE van de heerscharen, gezien. Maar een van de serafs vloog naar mij toe met een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar genomen had; hij raakte mijn mond daarmede aan en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt; nu is uw ongerechtigheid geweken en uw zonde verzoend. Daarop hoorde ik de stem van de Here, die zei: Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons gaan? En ik zei: Hier ben ik, zend mij.   (Jesaja 6:1-8)

Andere Bijbelverzen waar het Hebreeuws saraph voorkomt, dat ook vertaald is met seraf.

En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gij ons uit Egypte gevoerd? om te sterven in de woestijn? Want er is geen brood en geen water en van deze flauwe spijs walgen wij. Toen zond de HERE vurige (saraph) slangen onder het volk; die beten het volk, zodat er velen van Israel stierven …    (Numeri 21:5-6)

De HERE dan zeide tot Mozes: Maak een vurige slang (saraph) en plaats die op een staak; ieder, die daarnaar ziet, wanneer hij gebeten is, zal in leven blijven.   (Numeri 21:8)

Mozes zei tot het volk: …zie dat uw hart zich niet verheffe, en gij de HERE, uw God, vergeet, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heeft, die u deed gaan door de grote en vreselijke woestijn, met vurige (saraph) slangen en schorpioenen en dorstig land zonder water; die uit de harde rots voor u water te voorschijn deed komen, …   (Deuteronomium 8:14-15)

Verheug u niet, gij gans Filistea, omdat de roede die u sloeg, verbroken is want uit de wortel der slang zal een adder voortkomen en haar vrucht zal een vliegende draak (saraph) zijn. (Jesaja 14:29)

De Godsspraak over de dieren van het Zuiderland. Door een land van benauwdheid en angst, waar leeuwin en leeuw, adder en vliegende draak (saraph) wonen, vervoeren zij op de ruggen van ezels hun vermogen en op de bulten van kamelen hun schatten naar een volk dat geen voordeel brengt.   (Jesaja 30:6)

 

Deze studie downloaden in PDF:
Engelen.