God schiep de aarde

In de vorige studie werd de schepping van de hemel besproken.
In dit hoofdstuk gaat het over de schepping van de aarde.

In het begin schiep God de hemel en de aarde.   (Genesis 1:1)

De hemel: De geestelijke, onzichtbare wereld, niet waarneembaar voor onze zintuigen.
De aarde: De planeet waarop wij leven, de zichtbare wereld.

De apostel Paulus schrijft:

… het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig.   (2 Corinthiërs 4:18)

De zichtbare wereld is aan de tijd onderhevig. Alles wat in de zichtbare wereld gebeurt is tijdelijk.
De onzichtbare, geestelijke wereld is niet aan de tijd gebonden. Alles wat in de onzichtbare wereld gebeurt blijft voor altijd, blijft eeuwig.

Schematisch voorgesteld:

1. Hemel en aarde

 

De horizontale lijn geeft de scheiding tussen de twee werelden aan:

 

De onzichtbare, geestelijke wereld, de hemel waar God woont, God (3) als Vader, Zoon en Geest en de hemelse gewesten.

 

 

 

De zichtbare, fysieke wereld, de aarde, waar de mensen wonen.

 

 

 

De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren.   (Genesis 1:2)

Toen God de aarde schiep was de aarde in eerste instantie gehuld in duisternis en overdekt met water.
‘Woest en ledig’ zegt de Bijbel. In het Hebreeuws: ‘tohuw bohuw’.
Ook te vertalen als: vormloos / chaos  -  braakliggend.
En Gods Geest zweefde over de wateren.

In deze chaos was God aanwezig door zijn Geest, de Heilige Geest.

De Heilige Geest is de verbinding tussen God en de wereld, tussen de onzichtbare en de zichtbare wereld, tussen de geestelijke en de fysieke wereld.
De Heilige Geest functioneert als de ogen van God, zoals in 2 Kronieken 16:9 staat:

Want de ogen van de HERE gaan over heel de aarde, om krachtig bij te staan hen wier hart volkomen naar Hem uitgaat.

God weet wat er in deze wereld gebeurt. Hij weet wat er in ieder mens omgaat.

Op de eerste dag schiep God ook het licht.

Toen God de wereld klaarmaakte als een woonplaats voor de mens, was het eerste wat Hij zei:

Er zij licht; en er was licht.   (Genesis 1:3)

Het lijkt vreemd dat God het licht schiep, terwijl Johannes in zijn brief schrijft dat God licht IS. (1 Johannes 1:5)
God is licht, maar Hij is Geest, en Hij leeft in de onzichtbare wereld. Het geestelijke is niet rechtstreeks zichtbaar in onze fysieke wereld.

Toen God zei: “Er zij licht”, schiep Hij het natuurkundige verschijnsel ‘licht’. Zo werd God zichtbaar in deze wereld.
In de eerste dagen van de schepping verlichtte God zelf de wereld. Hij was als Het Licht, zichtbaar aanwezig in deze wereld, totdat Hij de zon schiep op de vierde dag.

De symboliek die God in het verschijnsel ‘licht’ heeft gelegd, wordt in een afzonderlijk document uitgelegd.

En God zag, dat het licht goed was, en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.   (Genesis 1:4-5)

In eerste instantie was de aarde gehuld in duisternis.
God verdreef de duisternis door zijn Aanwezigheid. Hij bepaalde dat er een scheiding zou zijn tussen licht en duisternis. Licht en duisternis zijn niet te mengen.
Licht verdrijft de duisternis. Licht heerst over de duisternis.

God zelf gaf namen aan licht en duisternis. Licht noemde Hij dag en duisternis noemde Hij nacht.

De tweede dag:   (Genesis 1:6-8)

Op de tweede dag werd het uitspansel door God geschapen en scheidde Hij de wateren onder en boven het uitspansel.
Het uitspansel noemde God: hemel.

De derde dag:   (Genesis 1:9-13)

Op de derde dag liet God de wateren samenvloeien zodat het droge tevoorschijn kwam. Het droge noemde Hij, aarde, de samengevloeide wateren noemde Hij zeeën.

God zei ook dat er planten en bomen tevoorschijn moesten komen … en zo gebeurde het.

De vierde dag:   (Genesis 1:14-19)

Op deze dag schiep God de zon en de maan, om licht te geven op de aarde, om scheiding te maken tussen de dag en de nacht en als maatstaf voor de tijd en de seizoenen.

Sindsdien wordt de aarde, de zichtbare wereld, verlicht door de zon.
De zon, het grootste licht, dat zelf licht uitstraalt, stelde Hij tot heerschappij over de dag en vertegenwoordigt als het ware de aanwezigheid van God in deze wereld.

Het licht van de zon kan niet gedoofd worden.
Het licht van de zon kan wel minder helder schijnen, als het bijvoorbeeld belemmerd wordt door een wolk.
’s Avonds verdwijnt het zelfs langzaam helemaal, als de zon onder gaat. Op dat moment wordt het duister en treedt de nacht in.

De maan, het kleinere licht, stelde Hij tot heerschappij over de nacht.
De maan heeft geen licht in zichzelf, het weerkaatst het licht van de zon en verzacht op deze manier de duisternis op de aarde.
Als ’s morgens de zon weer op komt, wordt de duisternis automatisch verdreven, bij het opkomen van de nieuwe dag.

In zon en maan heeft God een diepe geestelijke betekenis gelegd.
Licht is niet alleen een fysiek gegeven, maar heeft ook een geestelijke betekenis.
In de Bijbel is licht het symbool van De Waarheid, overeenkomstig de wil van God.

De apostel Johannes schrijft over de komst van Jezus naar onze wereld:

Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld.   (Johannes 1:9)

En Jezus zei:

Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht van het leven hebben.   (Johannes 8:12)

Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld.   (Johannes 9:5)

Jezus is de zon voor deze wereld, opdat de mens in zijn Licht zou leven, zoals Hij in het licht is. (naar 1 Johannes 1:7)

Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat het licht, en gaat niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen.
(Johannes 3:20)

Wie zegt in het licht te zijn en zijn broeder haat, die is in de duisternis tot nu toe.   (1 Johannes 2:9)

Handelen, leven in overeenstemming met de wil van God, is wandelen in het licht.
Wie niet handelt, leeft in overeenstemming met de wil van God, wandelt, geestelijk gezien, in de duisternis.

Later zegt Jezus tegen zijn discipelen, zijn volgelingen:

Jullie zijn het licht van de wereld.   (Mattheüs 5:14)

Een discipel, elke volgeling van Jezus, heeft het Licht van Jezus in zich en heeft de opdracht dit Licht uit te stralen in de wereld, in zijn doen en handelen, zoals de maan het licht van de zon weerkaatst.

De vijfde dag:   (Genesis 1:20-23)

Deze dag schiep God alles wat in de wateren en de zeeën leeft, naar hun aard en alle vogels, naar hun aard.
Hij gaf opdracht aan de vissen om de wateren en zeeën te vullen en aan de vogels om talrijk te worden op de aarde.

De zesde dag:   (Genesis 1:24-31)

Op deze dag beval God dat de aarde levende wezens zou voortbrengen.
Zo schiep God alle wilde dieren, vee en kruipende dieren, naar hun aard.

Ook zei God:

Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen van de zee en over het gevogelte van de hemel en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.   (Genesis 1:26)

En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man(nelijk) en vrouw(elijk) schiep Hij hen.   (Genesis 1:27)

God gaf opdracht aan de mens om talrijk te worden, de aarde te onderwerpen en te heersen over de vissen, de vogels en de dieren.

De schepping van de mens wordt uitgebreid besproken in het volgende hoofdstuk.

Op het einde van de zesde dag:

zag God alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.   (Genesis 1:31)

De zevende dag:   (Genesis 2:1-3)

Toen God op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had. En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht.

God heeft de zevende dag, als rustdag in de schepping gelegd.

Als Hij later de ‘Tien Geboden’ aan zijn volk geeft, draagt Hij hen op om de zevende dag te rusten, nadat er zes dagen is gewerkt.
(Exodus 20:9 / Deuteronomium 5:13)
Het is niet nodig om zeven dagen op zeven te werken om in het levensonderhoud te voorzien.

God beschouwt de rustdag als heilig, apart gezet.
Hij zal zorgen voor compensatie, voor wie ‘slechts’ zes dagen werkt en rust op de zevende dag.

Zelfs, toen het volk van God, de Israëlieten, door de woestijn trok en elk dag door Hem van hun ‘dagelijks brood’, het ‘manna’, werd voorzien, had Hij voor de zevende dag een oplossing.
Dit zal later verder uitgewerkt worden in de studie: De zevende dag – een rustdag.

Wordt vervolgd in de studie: God schiep de mens.

 

Deze studie downloaden in PDF:
God schiep de aarde.