God schiep de mens – Adam

In de twee vorige studies werd besproken hoe God de hemel en de aarde schiep.

Tijdens de zesde dag van de schepping zei God:

Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis,… (Genesis 1:26)

God spreekt hier in de meervoudsvorm ‘Ons’, d.w.z. Hij spreekt hier als de Drie-enige God: Vader, Zoon en Heilige Geest.

Tot nu toe werd alles uit het niets geschapen, door de kracht van het gesproken woord van God.
God zei (ook te vertalen als: gaf het bevel): Er zij licht …, er zij een uitspansel …, dat de aarde levende wezens voortbrenge (ook: naar buiten brengen, uitleveren) … enz. … en het was er.

Toen God het voornemen had om de mens te maken, gaf Hij geen bevel, maar trad Hij Zelf handelend op.

Hij zei: Laat ons mensen maken.

  • maken – ook te verstaan als: vormen – tot stand brengen – voortbrengen.

Ook gaf God aan hoe Hij de mens zou maken:

    • naar Zijn beeld – ook: beeltenis – afbeelding.
      - dat is: het uiterlijk van de mens, een lichaam.2
    • als Zijn gelijkenis – ook: gelijkend op – gelijk aan.
      - dat is: het karakter van de mens, spiritueel, geestelijk.

Hoe God de mens maakte, wordt beschreven in het tweede hoofdstuk van Genesis:

… toen formeerde (ook vertaald als: aardewerk (2 Samuël 17:28)pottenbakker (1Kronieken 4:23) - vorm geven (2 Koningen 19:25) - boetseren (Jesaja 29:16)) de HERE God de mens

  • van stof uit de aardbodem
  • en blies de levensadem in zijn neus;
  • zo werd de mens tot een levend wezen (levende ziel). (Genesis 2:7)

Even tussendoor: In een afzonderlijk document wordt een interessante woordspeling in het Hebreeuws toegelicht, voor ‘de mens’, de eerste mens ‘Adam’ en ‘roodgeverfd’.

God formeerde de lichamelijke mens.

En God zei: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, … (Genesis 1:26)

… toen formeerde de HERE God de mens van stof uit de aardbodem … (Genesis 2:7)

4. Lichaam

 

Nadat God gezegd had wat Hij van plan was, boetseerde Hij een beeld, van ‘stof uit de aardbodem’.

 

 

Dit geboetseerde ‘beeld’, was het toekomstige lichaam van de mens, de eerste man Adam.

 

 

 

In dit beeld was al iets te zien van wie God is, want dit beeld was geformeerd ‘naar Zijn beeld’.

 

        • Benen en voeten, om beweeglijk te zijn en zich te kunnen verplaatsen.
        • Armen en handen, om iets mee uit te beelden, iets te vervaardigen. Om iemand te omarmen, of bij de hand te nemen en te leiden.
        • Oren om te horen.
        • Ogen om te zien.
        • Een neus om te ruiken en een mond om te spreken.

Maar, alles was nog levenloos en functioneerde niet… het was slechts een beeld.

God formeerde de geestelijke mens.

En God zei: Laat Ons mensen maken …, als onze gelijkenis, … (Genesis 1:26)

… toen formeerde de HERE God de mens … en blies de levensadem in zijn neus … (Genesis 2:7)

Nadat God een lichaam had geboetseerd, blies Hij dit Zijn Levensadem in de neusgaten …

… en werd de mens een levend wezen (Hebreeuws: een levende ziel). (Genesis 2:7)

5. Geest ziel lichaam
Op het moment dat God Zijn levensadem in de neus blies, kwam het beeld tot leven en werd een lichaam van vlees en bloed.

 

 

Meer !
God is Geest. Op het moment dat Hij Zijn levensadem in de neusgaten van het beeld blies, werd het een levend lichaam, omdat Hij er een ziel en een geest had ingeblazen.

 

 

 

Ziel en geest zijn goddelijk en behoren tot de geestelijke wereld, die eeuwig is.

Zo werd de mens een levende ziel. (Genesis 2:7)

Jezus bevestigde dit, toen Hij zei: De Geest (van God) is het, die levend maakt,   (Johannes 6:63)

De mens is een ziel.

De mens kreeg geen ziel.
De mens WERD een levende ziel.
De mens heeft geen ziel, de mens is de ziel.
De mens is geschapen, op God gelijkend, op God die is. Zijn naam is IK BEN.

De persoonlijkheid, het karakter, het geweten, de wil, de gevoelens, verlangens en emoties, behoren tot de ziel, zijn de ziel.
De ziel, ben ik. Ik ben de ziel.

Dit wordt toegelicht in de studie over de ziel.

De mens is een levende ziel.

Het begrip ‘leven’ heeft in de Bijbel de betekenis van: zichtbaar zijn, ervaren worden, een relatie hebben, of kunnen aangaan.
Dood en leven hebben een geestelijke dimensie.

De eerste mens Adam werd levend, omdat zijn persoonlijkheid zichtbaar werd en hij een relatie kon aangaan in de zichtbare en in de onzichtbare wereld.
Hiervoor heeft de mens, als ziel, twee ‘instrumenten’ gekregen.

  • De ziel, de mens, kan zich uitdrukken in de zichtbare wereld door middel van het lichaam.
  • De ziel, de mens, kan zich uitdrukken in de onzichtbare wereld door middel van de geest.

7. Ziel wordt levend

 

De mens is een ziel en heeft een lichaam. Hiermee kan hij zich uitdrukken in de zichtbare wereld. Hij heeft een geest, om zich te kunnen uitdrukken in de onzichtbare wereld.

 

Door de zintuigen van het lichaam: zien, spreken, horen, voelen, kan er contact gelegd worden en een relatie aangegaan worden, met een andere ziel, een ander mens.

 

Door de geest kan er contact gelegd worden en een relatie aangegaan worden, in de onzichtbare wereld, met de drie-enige God, de Schepper van hemel en aarde.

 

De mens is geschapen voor de eeuwigheid.

Geest en ziel behoren tot de onzichtbare wereld en zijn eeuwig.

Adam werd geschapen als een eeuwige persoonlijkheid, zoals ook God eeuwig is.
Een mens, een ziel, wordt verwekt, wordt geboren, voor de eeuwigheid en zal eeuwig bestaan.
Het lichaam behoort tot de zichtbare wereld en is tijdelijk.

6. Geest ziel zonder lichaam

 

 

Als het lichaam ophoudt te functioneren en opnieuw vervalt tot stof, blijven ziel en geest bestaan.
Zoals God eeuwig is, zo is ook de mens eeuwig en leeft voort, ook al is het lichaam gestorven.

 

Men zegt dat iemand ‘gestorven’ is, dood is, omdat het lichaam niet langer functioneert.
De persoon, de ziel, kan zich niet langer kenbaar maken via het lichaam in de zichtbare wereld.
De persoon zelf, de ziel en geest, leven verder in de onzichtbare wereld.

 

 

De mens als geest, ziel en lichaam in relatie met God.

De mens werd een levende ziel door de levensadem van God.
Ziel en geest zijn van Goddelijke oorsprong.
In het diepst van zijn bestaan, zijn ‘wezen’, zijn ‘ziel’, is de mens van goddelijke oorsprong.

In de studie ‘God is licht’ wordt uitgelegd dat het karakter van God van een veelkleurige intensiteit is. De boventoon hierin is LIEFDE.
God is liefde en door de levensadem die God bij Adam inblies, werd tegelijk Zijn liefde ingeblazen.
In het diepst van zijn wezen, zijn ziel, was Adam, is de mens, liefde.

Liefde heeft echter geen bestaansreden in zichzelf.
Liefde kan enkel bestaan, als die gedeeld kan worden in een relatie met iemand anders.
Dit is de reden waarom God Adam schiep. Het was Zijn bedoeling om een wederzijdse relatie met Adam te kunnen opbouwen, in liefde.

God verlangt nog steeds naar zo’n relatie met elke persoon in deze wereld.
Als een liefdevolle Vader bekommert Hij Zich nog steeds om de mensen die Hij geschapen heeft.

Zoals een vader een prettige omgeving tracht te creëren voor zijn kinderen, zo schiep God voor de mens een onvoorstelbaar mooie wereld.
En Hij sprak het verlangen van zijn hart uit, toen Hij zei:

… En Ik had gedacht, dat gij Mij zou noemen: Mijn Vader, (letterlijk staat er: dat gij zou roepen: Papa !) en dat gij u niet van Mij zou afkeren. (Jeremia 3:19)

Wordt vervolgd in ‘God schiep de vrouw’.

 

Deze studie downloaden in PDF:
God schiep de mens – Adam.