Mattheüs 25:14-30 – De gelijkenis van de talenten

In deze studie wordt ‘de gelijkenis van de talenten’ besproken.
Hierbij wordt ook ‘de gelijkenis van de ponden’ uit Lukas 19:12-27 betrokken.

Naar de volledige tekst.

De context waarin Jezus de gelijkenis vertelt.

Voorafgaand aan de gelijkenis van de talenten, opent Mattheüs hoofdstuk 25 met de gelijkenis van Jezus over tien maagden die wachten op de komst van de bruidegom.
Hierin verwijst Jezus duidelijk naar Zijn wederkomst.

In het evangelie naar Lukas volgt op de gelijkenis van de ponden, de intocht in Jeruzalem en de aanhouding van Jezus.

In beide evangeliën wordt Jezus kort na deze gelijkenissen gevangengenomen en veroordeeld.
In beide gelijkenissen wordt verwezen naar het vertrek van Jezus uit deze wereld en naar Zijn wederkomst.

Een mens / een man.

In Mattheüs 25:14 vertelt Jezus over ‘een mens die naar het buitenland vertrekt’.
In Lukas 19:12 over ‘een man van hoge geboorte’ die naar een ver land trekt om de Koninklijke waardigheid in ontvangst te nemen.

Hierbij wijst Jezus op Zichzelf.
Hij staat op het punt om gekruisigd te worden en na zijn opstanding uit de dood de wereld te verlaten, om in de hemel Zijn plaats in te nemen aan de rechterhand van de Vader.

De slaven.

In beide gelijkenissen (Mattheüs 25:14 / Lukas 19:13) roept de heer de slaven die in zijn dienst staan tot zich.

De slaven staan symbool voor de discipelen van Jezus.
Een discipel van Jezus heeft zijn leven onder Zijn autoriteit gebracht, zoals slaven leven onder de autoriteit van hun heer.
De overeenkomst tussen slaven en discipelen wordt uitgebreid besproken in de studies ‘Discipelschap (1)’ en ‘Bekering en discipelschap in het O.T.’.

Het bezit.

Bij Mattheüs 25:15 vergelijkt Jezus het bezit van de heer met talenten.
Bij Lukas 19:13 stelt Jezus het bezit van de heer gelijk aan ponden.

In beide gelijkenissen stelt Jezus het bezit van de heer voor als een financiële waarde.

De waarde van een talent:
De waarde van 1 talent was gelijk aan 6.000 drachmen (Grieks geld), of denarii (Romeins geld).
De Romeinse denarius, in het Grieks denarion, wordt in de Bijbel vertaald als schelling.
Een voorbeeld hiervan is te vinden in de gelijkenis van Jezus, waarbij een heer arbeiders zoekt voor zijn wijngaard.

Toen hij het met de arbeiders eens geworden was voor een schelling (denarion) per dag zond hij hen in zijn wijngaard.
(Mattheüs 20:2)

Eén schelling was dus het loon van een dagloner.
Eén talent staat dan gelijk aan het loon van 6.000 werkdagen.
Omgerekend naar onze tijd heeft één talent ongeveer de waarde van 25 jaarsalarissen.

De waarde van een pond:
De pond (‘mna’ in het Grieks) komt in het Nieuwe Testament enkel in deze gelijkenis bij Lukas voor, zodat de waarde ervan moeilijk weer te geven is.
Geraadpleegde werken geven ook een heel verschillende waarde voor het pond.
Voor de interpretatie van de gelijkenis uit Mattheüs 25 is dit echter niet van belang.

Het bezit als symbool.

Voor zijn vertrek verdeelt de heer zijn bezit onder zijn slaven.
Als de heer uit de gelijkenis Jezus is en de slaven Zijn discipelen, waar staan de talenten en de ponden dan voor?
Wat is ‘het bezit’ van Jezus dat Hij bij zijn vertrek aan zijn discipelen toevertrouwt ?

Jezus zei tegen het einde van zijn leven op aarde:

Het is beter voor u, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden.   (Johannes 16:7)

De talenten en de ponden staan symbool voor de Heilige Geest die elke discipel van Jezus in zijn hart ontvangt, volgens de belofte:

een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven.
Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt.   (Ezechiël 36:26-27)

Dit is de Heilige Geest, waarvan Paulus schrijft dat Hij woning maakt in het hart van de discipel, waardoor deze de wet volbrengt, door de Goddelijke liefde, want:

de liefde van God is in onze harten uitgestort door de Heilige Geest, die ons gegeven is, …   (Romeinen 5:5)

De Heilige Geest en de liefde van God zijn niet van elkaar te scheiden.
De Heilige Geest, als derde Persoon van de Goddelijke Drie-eenheid, IS liefde, want God IS liefde.

De heer vertrouwt zijn bezit toe aan zijn slaven.

De heer durft het aan om zijn slaven zijn bezit toe te vertrouwen gedurende zijn afwezigheid.

Zo heeft ook Jezus na zijn vertrek uit deze wereld, de Trooster, de Heilige Geest nagelaten.
De Heilige Geest, die de Goddelijke liefde in hun hart legt, vertrouwt Jezus toe aan Zijn discipelen.
Hij gaat er vanuit dat zij, ook bij Zijn afwezigheid, trouw zullen blijven aan Zijn onderwijs en zich gewillig zullen laten leiden door de Heilige Geest die, zoals Jezus zei:

… u alles zal leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb.   (Johannes 14:26)

Wat elke slaaf ontvangt.

Mattheüs 25:15 vertelt dat de heer aan drie slaven ieder een verschillend bedrag toevertrouwt.
Elke slaaf ontvangt een bedrag in overeenstemming met zijn bekwaamheid, zijn natuurlijke aanleg.
De eerste slaaf ontvangt 5 talenten (equivalent van 125 jaarsalarissen),de tweede slaaf 2 (equivalent van 50), en de derde ontvangt 1 talent (equivalent van 25 jaarsalarissen).
Lukas 19:13 vertelt dat de heer tien slaven elk één pond geeft.

De beide gelijkenissen samengebracht tonen aan dat de slaven:

  • een bezit van heel grote waarde wordt toevertrouwd  (Mattheüs)
  • ieder evenveel ontvangen  (Lukas)

Dat is precies wat er gebeurt bij het ontvangen van de Heilige Geest.

De waarde van de liefde van God door de Heilige Geest, is niet in een geldsom te vatten.
En iedere discipel ontvangt evenveel. Ieders ‘bekwaamheid’ wordt volledig ‘gevuld’:

Want Hij (Jezus), die God gezonden heeft, die spreekt de woorden van God, want Hij geeft de Geest niet met mate (letterlijk: niet met een afgemeten hoeveelheid).   (Johannes 3:34)

Iedere discipel van Jezus Christus die de Heilige Geest in zijn hart ontvangt wordt ‘vervuld’, of beter ‘gevuld’ met Goddelijke liefde, naar de mate waarin hij/zij zich openstelt voor de werking van de Heilige Geest.
De hoeveelheid wordt niet afgemeten. Elke discipel wordt ‘gevuld’ met de Heilige Geest, wordt ‘gevuld’ met Goddelijke liefde.

De afrekening - vers 19.

In Mattheüs verwacht de mens die naar het buitenland vertrekt dat zijn slaven zijn bezit vermeerderen tijdens zijn afwezigheid.
Bij Lukas geeft de man van hoge geboorte opdracht er handel mee te drijven.
Wanneer beiden na lange tijd terugkomen, roepen zij hun slaven om zich te verantwoorden over hun beheer.

Dit is wat Johannes zag in de visioenen over de wederkomst van Jezus:

En ik zag de doden, de groten en de kleinen, staande voor de troon, en er werden boeken geopend. En nog een ander boek werd geopend, het boek des levens; en de doden werden geoordeeld op grond van hetgeen in de boeken geschreven stond, naar hun werken. En de zee gaf de doden, die in haar waren, en de dood en het dodenrijk gaven de doden, die in hen waren, en zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken.   (Openbaring 20:12-13)

Zoals ook Paulus schrijft:

Wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder ontvangt wat hij in zijn lichaam verricht heeft, volgens wat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.   (2 Corinthiërs 5:10)

Voor de rechterstoel van Jezus Christus zal zichtbaar worden welke werken iemand verricht heeft.
Hierbij zal niet bepalend zijn wàt iemand gedaan heeft, maar wat de drijfveer was.
Jezus is geïnteresseerd in wat er in het hart, de ziel van een mens leeft.
Of de werken, verricht in het lichaam, volgens Gods normen goed of verkeerd zijn, wordt bepaald door de hartsgesteldheid van de discipel.

De afrekening van de eerste twee slaven.

In beide gelijkenissen vermeerderen de eerste twee slaven die afrekenen het bezit van de heer ‘in overeenstemming met hun bekwaamheid’.
Bij Mattheüs 25:16-17 verdient de eerste slaaf die 5 talenten heeft ontvangen er 5 bij, de andere met 2 talenten verdient er 2 bij.
Bij Lukas 19:16 en 18 heeft de eerste van de tien slaven die één pond ontvangen hebben er 10 ponden bij verdiend, de tweede 5.
Zij worden door hun heer geprezen voor hun inzet.

Het bezit dat Jezus aan Zijn discipelen nalaat, is de Goddelijke liefde door de Heilige Geest.
Wat kan een discipel dan als opbrengst uit zijn leven aan Jezus aanbieden??

De discipel van Jezus Christus, aangestuurd door de Heilige Geest heeft slechts één opdracht in het leven: liefhebben, zoals Jezus de mensen heeft liefgehad en naar de wereld is gekomen om te dienen.
In 1 Corinthiërs 13, het hoofdstuk van de liefde, werkt Paulus uitgebreid uit wat dit betekent.
In Galaten 5 leert hij wat de Goddelijke liefde door de Heilige Geest opbrengt:

De vrucht van de Geest is liefde: blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.   (Galaten 5:22)

De vrucht van de Geest wordt niet afgemeten aan de omvang van de daden die een discipel van Jezus in zijn leven verricht.
Of een discipel werkelijk een ‘hart van vlees’ heeft ontvangen wordt opgemerkt aan de uitstraling die uit zijn leven blijkt.

Wat Jezus van een discipel als ‘opbrengst’ voor Zijn Koninkrijk verwacht, is het resultaat van een leven vanuit de liefde voor God en de naaste, die door de Heilige Geest in het hart van de discipel is gelegd. Wanneer de Heilige Geest dan ook nog over de discipel komt zal hij daarbij met extra kracht ondersteund worden.

De derde slaaf.

In beide gelijkenissen (Mattheüs 25:18, Lukas 19:20) heeft de derde slaaf die afrekent het bezit van de heer in de grond gestopt.
Deze slaaf lijkt onverschillig en opstandig. Hij heeft zijn heer blijkbaar nooit goed begrepen, waardoor hij bang voor hem is.
Hij heeft er ook grote moeite mee de opbrengst van zijn arbeid te moeten afstaan aan de heer en die niet voor zichzelf te mogen houden.

Hij zei:

Ik wist van u, dat gij een hard mens zijt, die maait, waar gij niet gezaaid hebt, en die bijeenbrengt van plaatsen, waar gij niet hebt uitgestrooid.   (Mattheüs 25:24)

Door het talent/pond in de grond te stoppen heeft hij geen opbrengst om aan de heer af te dragen.
Deze slaaf gaat een akelig einde tegemoet.

Dit is zoals een discipel die de liefde van God in zijn hart heeft ontvangen, maar zich er niet door laat beïnvloeden en onverschillig blijft. Hij leeft zijn eigen leven, uitsluitend gericht op zichzelf.
Hierdoor overstemmen de wereldse verlangens de Goddelijke liefde in zijn hart.
Zijn leven brengt niets op om aan Jezus te overhandigen bij de ‘afrekening’.

De bankiers.
Het is opmerkelijk dat de heer, in beide gelijkenissen, aan de derde slaaf vraagt waarom hij zijn geld niet aan de bankiers heeft gegeven. Deze hadden een opbrengst voor de heer kunnen realiseren met het kapitaal dat de slaaf hen zou hebben toevertrouwd.

Schijnbaar accepteert de heer de mogelijkheid dat een slaaf niet voor hem wil werken en had hij er genoegen mee genomen zijn kapitaal met interest van de bank terug te ontvangen.

Jezus aanvaardt blijkbaar dat een discipel zijn eigen weg gaat in het leven, maar neemt er geen genoegen mee dat Zijn ‘investering’ in het leven van die discipel niets opbrengt voor Zijn Koninkrijk.
Jezus verwacht, dat een discipel die niet voor Hem wil werken, op zijn minst de moeite neemt om de ‘investering’ over te dragen aan iemand die er wel een opbrengst mee zal realiseren.

Een voorbeeld:
De Goddelijke liefde in het hart van een discipel zal hem visie geven voor activiteiten volgens zijn ‘bekwaamheid’, in een leven van dienstbaarheid.
Stel dat deze visie een werk of een bediening bevat, waardoor de discipel minder zal verdienen dan hij zou willen om een bepaalde levensstijl te kunnen handhaven, dan kan hij deze visie volkomen negeren en er niets mee doen. Dit komt overeen met ‘het talent in de grond stoppen’.
Maar de discipel zou ook iemand anders warm kunnen maken voor de visie die hij ontvangen heeft, zodat die ander de taak gaat vervullen die hij eigenlijk had moeten doen.
Hierdoor zou die ander, als ‘bankier’, opbrengst opleveren voor het Koninkrijk van God met de visie van de eerste discipel.
Jezus zou dan toch, op het moment van de ‘afrekening’, een ‘interest’ kunnen opvragen bij de andere discipel, die de taak van de eerste heeft overgenomen.

 

Deze studie downloaden in PDF:
Mattheüs 25:14-30 - De gelijkenis van de talenten.