Onderscheid tussen mensen en dieren

Salomo schrijft in het boek Prediker:

Ik zei bij mijzelf: Wat de mensenkinderen betreft, God wil hen schiften en laten zien, dat zij eigenlijk dieren zijn. Want het lot der mensenkinderen is gelijk het lot der dieren, ja, eenzelfde lot treft hen: gelijk dezen sterven, zo sterven genen, en allen hebben eenzelfde adem (ruwach = geest !), waarbij de mens niets voor heeft boven de dieren; want alles is ijdelheid, alles gaat naar een plaats, alles is geworden uit stof, en alles keert weder tot stof.   (Prediker 3:18-20)

Salomo was de meest wijze koning die Israël gekend heeft. In het boek Prediker beschrijft hij, hoe hij alles in de wereld onderzocht heeft. Hij kwam tot de vaststelling dat dieren en mensen eenzelfde lot treft, waarbij de mensen niet boven de dieren staan.
Het leven van mensen en dieren in deze wereld is eindig. Zowel mensen als dieren sterven en keren weer tot stof.

Hierbij stelt Prediker zich de vraag:

Wie bemerkt, dat de adem (ruwach = geest !) der mensenkinderen opstijgt naar boven en dat de adem (ruwach = geest !) der dieren neerdaalt naar beneden in de aarde?   (Prediker 3:21)

Prediker ziet een onderscheid tussen mensen en dieren. Hij stelt echter vast dat niemand het opmerkt.

In verband met het ouder worden van de mens schrijft Prediker enkele hoofdstukken verder:

… en het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest (ruwach) wederkeert tot God, die hem geschonken heeft.   (Prediker 12:7)

De dieren vergaan terug tot stof, maar bij de mens vindt er bij het overlijden een scheiding plaats.

  • Het lichaam keert weer tot de aarde, waar het uit genomen is.
  • De geest keert weer tot God, die hem geschonken heeft.

Het onderscheid tussen mensen en dieren is bepaald in de schepping.

In Genesis 1 beveelt God op de vijfde dag:

Dat de wateren wemelen van levende wezens (levende zielen), en dat het gevogelte over de aarde vliege langs het uitspansel van de hemel.   (Genesis 1:20)

en op de zesde dag:

Dat de aarde voortbrenge levende wezens (levende zielen) naar hun aard, vee en kruipend gedierte en wild gedierte naar hun aard; en het was alzo.   (Genesis 1:24)

De dieren zijn geschapen, door de kracht van het gesproken woord van God.
Het is duidelijk dat de kruipende dieren uit de aarde zijn voortgekomen.
Uit het verslag van de schepping in Genesis 1 is duidelijk dat de dieren, zielen zijn. Ze worden in elk geval aangeduid als ‘levende zielen’.
Koning Salomo merkt op in Prediker 3 en 12 dat ook de dieren een geest hebben, precies zoals de mensen.

De mens, Adam, is echter niet uit de aarde voortgekomen.

Adam werd een levende ziel, op het moment dat God zijn Levensadem inblies, in het lichaam dat Hij geboetseerd had van stof uit de aardbodem.

… toen formeerde de HERE God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen (een levende ziel).   (Genesis 2:7)

Zowel mensen als dieren zijn een drie-eenheid van geest, ziel en lichaam.

Wat de mens gemeenschappelijk heeft met de dieren is het lichaam.

De dieren zijn uit de aarde voortgekomen en het lichaam van de mens is uit de aarde genomen.
Op het moment van sterven zal wat uit de aarde genomen is, terugkeren tot de aarde.

Het onderscheid tussen mensen en dieren.

Geest, ziel en lichaam van de dieren zullen op het moment van sterven ‘neerdalen naar beneden in de aarde’.
Enkel het lichaam van de mens zal weerkeren tot de aarde en vergaan tot stof.
Geest en ziel van de mens zullen op dat moment ‘weerkeren tot God’ en eeuwig voortleven in de onzichtbare wereld.

Bij de dieren zijn geest, ziel en lichaam uit de aarde voortgekomen en volkomen gericht op de aarde.
Dit is het instinkt, dat het dier van bij de geboorte meekrijgt en dat de specifieke aard van elk dier bepaalt.

Bij de mens is het lichaam uit de aarde genomen, maar geest en ziel zijn door God ingeblazen.
Geest en ziel van de mens zijn gericht op de geestelijke wereld, op God zelf.

Verbod op het eten van bloed.

Het onderscheid tussen mensen en dieren wordt benadrukt door het feit dat God aan de Israëlieten heeft verboden om bloed te eten.

Want de ziel van het vlees is in het bloed … Daarom heb Ik tot de Israëlieten gezegd: Niemand van u zal bloed eten. Ook de vreemdeling, die in uw midden vertoeft, zal geen bloed eten.   (Leviticus 17:11-12)

Mensen, die als ziel door God zijn ingeblazen, mogen geen gemeenschap hebben met de ziel van dieren, die uit de aarde zijn voortgekomen.
Vlees van dieren mag wel gegeten worden, zoals God tegen Noach zei:

Alles wat zich roert, wat leeft, zal u tot spijze zijn; Ik heb het u alles gegeven evenals het groene kruid.   (Genesis 9:3)

Maar:

Alleen vlees met zijn ziel, zijn bloed, zult gij niet eten.   (Genesis 9:4)

 

Deze studie downloaden in PDF:
Onderscheid tussen mensen en dieren.