Romeinen 12:6-9 – Wij hebben nu genadegaven

Als vervolg op de studie ‘Genadegave - definitie’, die best eerst gelezen wordt, wordt in deze studie bekeken wat de Bijbel leert in één van de twee teksten over de genadegaven.

De context  (Romeinen 12:1-5):

In het voorgaande vers, Romeinen 11:36, merkt Paulus op:

Want uit Hem (Jezus Christus) en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen.
(Romeinen 11:36)

Anders gezegd: Alles heeft zijn bestaan in Jezus Christus en Hem alleen komt alle eer toe. Daarom vervolgt Paulus met:

Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden (ook: medelijden, mededogen) van God, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke (ook: logische) eredienst.   (Romeinen 12:1)

Als alles, ook wijzelf, bestaan door Jezus Christus, is het logisch dat een discipel zich met heel zijn wezen aan Hem beschikbaar stelt, opdat Jezus in deze wereld zichtbaar zou worden.
Hiervoor is een gedaantewisseling, een geestelijke verandering nodig, opdat een discipel van Jezus zou kunnen leven in overeenstemming met de wil van God, zoals geopenbaard in de Bijbel.

Paulus schrijft het zo:

En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd (metamorpho-oo: verander van gedaante) door de vernieuwing van uw denken (gedachten, gevoelens, voornemens, verlangens), opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene.   (Romeinen 12:2)

In de volgende verzen spoort Paulus de gelovige dan aan om steeds zichzelf te blijven en zich te realiseren dat men is toegevoegd in het lichaam van Jezus Christus. Iedereen krijgt daar zijn specifieke taak toebedeeld, samen met de daaraan verbonden persoonlijke verantwoordelijkheid.

De tekst, Romeinen 12:6-9:

Vanuit deze achtergrond vervolgt Paulus dan (in een, voor deze studie, meer letterlijke vertaling uit het Grieks):

Wij hebben nu geschenken uit vriendelijkheid (charisma/genadegaven), volgens de vriendelijkheid (charis/genade), die ons gegeven is:
- hetzij profetie, volgens de juiste verhouding van het geloof/vertrouwen;
- hetzij dienstverlening, in dienstverlening;
- hetzij onderwijzend, in onderwijs;
- hetzij vermanend (troostend, bemoedigend), in vermanen (troosten, bemoedigen);
- meegevend (meedelend), in eenvoud (oprechtheid);
- besturend (leiding gevend) in ijver (ernst);
- barmhartigheid bewijzend, in vriendelijkheid.
De liefde zij oprecht,
- het kwade verafschuwend, verbonden aan het goede.   (Romeinen 12:6-9)

Paulus gaat ervan uit dat iemand, die de vriendelijkheid/charis/genade van God en van Jezus Christus in zijn leven heeft ervaren, ook vriendelijk in het leven staat naar de ander toe, ‘volgens de vriendelijkheid (charis/genade), die hem/haar gegeven is’.

Iedereen die de vriendelijkheid van God en Jezus in zijn leven ervaren heeft, is daardoor in staat om iets voor de ander te doen uit vriendelijkheid, waardoor de ander iets ontvangt, al was het maar in de vorm van twee helpende handen.
In die zin zijn de geschenken uit vriendelijkheid/genadegaven onbeperkt.
Als het gaat om het lichaam van Jezus, de gemeente, somt Paulus er enkele op.

Verklaring van de tekst:

Profetie, volgens de juiste verhouding van het geloof.
Het Griekse ‘propheteia’ heeft de betekenis van voorspellen.
In de tekst betreft het hier het voorspellen, of meer in algemene zin ‘het spreken van de woorden van God’, door de persoon die de profetie uitspreekt.
Deze persoon doet dit volgens de juiste verhouding (Grieks: analogia) van zijn/haar geloof/vertrouwen.
De Heilige Geest wordt hierbij niet vernoemd. Dit profeteren moet dus niet gezien worden als een goddelijke openbaring door de Heilige Geest.

Daarom is het nodig voorzichtig te zijn met het aanvaarden van deze profetische woorden.
Iemand kan in een profetie zijn persoonlijke wensen en verlangens uitspreken over de persoon of situatie waarover men profeteert. Dat kunnen goede woorden zijn, maar er is voorzichtigheid geboden in het omgaan daarmee.

Als Paulus zegt in 1 Corinthiërs 13:9 – “Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren”, dan heeft hij vermoedelijk dit profeteren in gedachten.

Hetzij dienstverlening, in dienstverlening.
Het lijkt logisch als Paulus zegt dat men dienstbaar moet zijn als men iemand een dienst bewijst.
Wat hij bedoelt is, dat men niet dienstbaar moet zijn met een bijoogmerk.
Iemand een dienst bewijzen, moet voortvloeien uit vriendelijkheid, als een genadegave/geschenk uit vriendelijkheid.

Dit is iets doen vanuit een vriendelijk gebaar en niet in de verwachting om iets terug te ontvangen.
In het dienen moet men dus oprecht zijn en volkomen gericht op de ander.

Hetzij onderwijzend, in onderwijs.
Dit is onderwijs in overeenstemming met de levenswijsheid die de persoon, die onderwijst, in zijn leven heeft vergaard o.a. door de Bijbel te lezen en te bestuderen.

Paulus zegt in Colossenzen 4:6.

Uw spreken zij te allen tijde aangenaam, niet zouteloos; gij moet weten, hoe gij aan ieder het juiste antwoord moet geven.

Dit kan iedereen, zonder daarbij een Bijbelleraar te moeten zijn.
En ook hier gaat het om een stukje onderwijzing, omdat iemand dat nodig heeft of een vraag stelt.
Ook weer onderwijs naar beste vermogen, zonder een vergoeding te verwachten.

Hetzij vermanend (troostend, bemoedigend), in vermanen (troosten, bemoedigen).
De vertaling met vermanen wordt gemakkelijk geïnterpreteerd als, iemand met opgeheven vingertje bestraffend toespreken.

Het Grieks/NL woordenboek vertaald ‘parakaleo’ echter met:

  • te hulp roepen, aanroepen, toeroepen
  • opwekken, aansporen, smeken, verzoeken
  • verleiden, uitnodigen
  • troosten, bemoedigen

Deze verschillende vertalingen zouden samengevat kunnen worden in één woord: bevestigen.
Iemand bevestigen in wie hij is in Jezus Christus, door hem/haar hulp te vragen of hulp te bieden, door iemand aan te sporen, of te vertroosten en te bemoedigen.

In zo’n situatie kan men gemakkelijk iemand aan zich binden en manipuleren.
Maar een ‘geschenk uit vriendelijkheid/genadegave’ is een vriendelijk gebaar vanuit een vriendelijk hart, waarbij men de ander bevestigt, troost en bemoedigt zonder bijbedoelingen.

Meegevend (meedelend), in eenvoud (oprechtheid).
Meegeven/meedelen: in een letterlijke vertaling betekent het zoveel als ‘samen delen’.
Eenvoud/oprechtheid omschrijft de OLB als:

  • de deugd van iemand die vrij is van huichelarij
  • niet zichzelf zoekend, openheid van hart die blijkt uit edelmoedigheid

Ook hier: ‘een geschenk uit vriendelijkheid’, uit edelmoedigheid, vrij van huichelarij.
Meedelen in de zin van geven, samen delen, waarbij de gever zich niet verheft boven degene aan wie gegeven wordt.

Er wordt niet omschreven wat er meegegeven of meegedeeld wordt.
Dit kan een materiële of financiële ondersteuning zijn, zelfs een geestelijke ondersteuning, zonder dat daarbij aan onderwijs gedacht moet worden.

Besturend (leiding gevend) in ijver (ernst).
Dit betreft niet een leidinggevende functie, maar leiding geven in een bepaalde situatie als een ‘genadegave’, ‘een geschenk uit vriendelijkheid’.

Bijvoorbeeld gevraagd worden om een taak op zich te nemen bij het organiseren van een evenement. Of zich tijdelijk in te zetten om iets te coördineren.
In zo’n situatie moet er leiding gegeven worden, zodat alles vlot verloopt.
Deze taak, gekoppeld aan het op zich nemen van verantwoordelijkheid, ook al is dat maar tijdelijk, moet ernstig genomen worden, omdat anderen in die situatie afhankelijk zijn van de persoon die leiding geeft.

Barmhartigheid bewijzend, in vriendelijkheid (vrolijkheid).
Het Grieks ‘ele’eo’ dat vertaald is met ‘barmhartigheid bewijzen’ vertaalt de OLB als:

  • medelijden hebben met iemand
  • iemand helpen die bedroefd is of hulp zoekt
  • de bedroefden helpen, hulp geven aan wie ongelukkig is

De vertaling spreekt voor zich.
Iemand helpen als een ‘genadegave/geschenk uit vriendelijkheid’ is hulpverlening vanuit een vriendelijk hart.
Zelfs als dit in een werksituatie zou zijn, dan nog zal men dit werk alleen kunnen volbrengen als men het doet vanuit een hart dat bewogen is met de personen die geholpen (moeten) worden.

De liefde zij oprecht.
Paulus sluit dit hoofdstuk af met de opmerking dat men dienstbaar moet zijn in Gods Koninkrijk gedreven door liefde vanuit een oprecht hart, eerlijk, zonder huichelarij.

Hij vervolgt:

Weest afkerig van het kwade, gehecht aan het goede.
Weest in broederliefde elkander genegen, in eerbetoon elkander ten voorbeeld,
in ijver
onverdroten (letterlijk: niet aarzelend, niet traag),vurig van geest, dient de Here.   (Romeinen 12:9-11)

Merk op:

Als Paulus in het behandelde hoofdstuk schrijft dat WIJ ‘genadegaven’ hebben dan bedoelt hij dat wij anderen iets kunnen meedelen vanuit onze vriendelijkheid.

Terwijl de Griekse tekst hier geen enkele aanleiding toe geeft, interpreteren sommige Bijbelvertalers dat er sprake is van ‘gaven’: de gave van profetie, of de gave van onderwijs, of de gave van dienen, alsof iemand iets speciaals ontvangen zou hebben, om in staat te kunnen zijn om de ander te dienen in de punten die hierboven beschreven staan.

Nochtans blijkt het in Romeinen 12 te gaan over het feit dat ieder mens in staat is, vanuit zijn vriendelijk hart, op elk moment en in elke situatie dienstbaar te zijn in datgene wat er op dat specifieke moment nodig is, ook al voelt men zich hier niet noodzakelijk van hogerhand toe geroepen.
Niemand kan zich eraan onttrekken dienstbaar te zijn op een bepaald moment, omdat men niet die speciale ‘gave’ hiervoor zou hebben.
Het is een kwestie van zich dienstbaar op te stellen en oog te hebben voor de nood van de ander, of van de situatie waarin deze zich op dat moment bevindt.

Daarom zegt Paulus:

En doet bij dit alles de liefde aan, als de band van de volmaaktheid.
En de vrede van Christus, tot welke gij immers in één lichaam geroepen zijt, regere in uw harten; en weest dankbaar.
Het woord van Christus wone rijkelijk in u, zodat gij in alle wijsheid elkander leert (onderwijst) en terechtwijst (vermaant, waarschuwt, aanspoort) en met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zingende, Gode dank brengt in uw harten.
En al wat gij doet met woord of werk, doet het alles in de naam van de Here Jezus, God, de Vader, dankende door Hem!
(Colossenzen 3:14-17)

 

Zie ook de studie: 1 Corinthiërs 12:7-11 - De genadegaven door de Heilige Geest.

 

Deze studie downloaden in PDF :
Romeinen 12:6-9 – Wij hebben nu genadegaven.