De priester naar de ordening van Melchisedek (3)

Na een introductie en de wijding tot priester, wordt in dit derde deel van de studiereeks over de priester naar de ordening van Melchisedek eerst aandacht besteed aan de betekenis van de tabernakel in het leven van de priester/discipel vandaag.
Daarna wordt het eerste gordijn besproken en vervolgens het brandofferaltaar, het eerste voorwerp dat de priester/discipel in de voorhof ontmoet op de nieuwe en levende weg doorheen de tabernakel.

Herhaling van de plattegrond van de tabernakel:

Tabernakel

De betekenis van de tabernakel in deze tijd.

Na de uittocht uit Egypte moest Mozes, op bevel van God, de tabernakel oprichten, waarin de priesters hun dienst verrichtten tot eer van God en in dienstbaarheid aan het volk.
De tabernakel bestond uit een voorhof en een tent, het heiligdom met het heilige en het heilige der heiligen. Dit alles was omringd door een linnen wand van 5 el hoog (2m25).
Later, in het land Kanaän bouwde koning Salomo een tempel. Deze tempel werd verwoest door de Babyloniërs, later weer opgebouwd en uiteindelijk door de Romeinen definitief verwoest in het jaar 70 na Christus.
Hierbij werd het volk Israël verdreven en de priesterdienst beëindigd.

Het priesterschap naar de ordening van Melchisedek, door God ingesteld met Jezus Christus als hogepriester, is een geestelijk priesterschap en kent daarom geen tent als tabernakel of stenen gebouw als tempel.
De priester/discipel verricht zijn/haar werkzaamheden dan ook in een geestelijke tempel, zoals Petrus schrijft:

… en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die aan God welgevallig zijn door Jezus Christus.   (1 Petrus 2:5)

Jezus zei tegen de Farizeeën:

Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen. … Hij sprak van de tempel van zijn lichaam.
(Johannes 2:19 en 21)

Paulus schrijft aan de gelovigen te Korinthe:

Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden.   (1 Corinthiërs 12:27)

Als onderdeel van het lichaam van Jezus Christus is de priester naar de ordening van Melchisedek dus zelf een tempel, maar ook een onderdeel van de tempel van God in deze tijd, zoals Paulus schrijft:

Wij toch zijn de tempel van de levende God, gelijk God gesproken heeft: Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.   (2 Corinthiërs 6:16)

De priester naar de ordening van Melchisedek, als lid van het lichaam van Jezus Christus en onderdeel van de tempel van de levende God, vervult zijn dienst:

  • in zijn lichaam (gij zijt het lichaam van Christus)
  • als onderdeel van de gemeente, plaatselijk en wereldwijd (wij zijn de tempel van de levende God).

Daarom schrijft Paulus ook:

Weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt?
Want gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met (letterlijk: in) uw lichaam.   (1 Corinthiërs 6:19-20)

De nakomelingen van Aäron hadden niet te kiezen en waren door hun afkomst voorbestemd om als priester te dienen in de tabernakel.

Ook een priester naar de ordening van Melchisedek moet zich realiseren dat zijn/haar leven niet aan hem/haar toebehoort. Van hem/haar wordt verwacht dat hij/zij zich vrijwillig als priester toewijdt om God te verheerlijken in zijn/haar lichaam gedurende heel het leven.

Opmerkingen:
Algemeen:
Verheerlijk dan God met uw lichaam, zou beter vertaald zijn met: verheerlijk dan God in uw lichaam, volgens het gebruik van het Griekse woordje ‘en’, dat de plaats aanduidt waar de handeling gebeurt.
Het lichaam, als geestelijke tempel, is de plaats waarin God verheerlijkt wordt, door de inwoning van de Heilige Geest.
De discipel/priester verheerlijkt God door wie hij is, wat zichtbaar wordt in zijn/haar handelen.
Door de vernieuwing van het denken wordt zijn/haar karakter en persoonlijkheid gevormd onder de autoriteit van Jezus Christus. Dat zal zichtbaar worden in de wereld, doorheen de manier waarop hij/zij het lichaam aanstuurt in het leven.

De voorhof:
In de voorhof staat de priester naar de ordening van Melchisedek stil bij het brandofferaltaar en het wasvat. Hierbij maakt hij/zij de keuzes die de richting van zijn/haar leven bepalen.
Die keuzes zijn heel persoonlijk, waarbij de priester/discipel zich niet moet laten afleiden door wat de wereld te bieden heeft. Daarom was de voorhof afgesloten door een linnen wand van 5 el (2m25) hoog.

Het heilige:
Het heilige, samen met het heilige der heiligen de eigenlijke tabernakel, was een volledig afgesloten ruimte.

In de beslotenheid van het heilige, symbool van de ziel, ontmoet de priester/discipel Jezus als het Licht, gedragen door de kandelaar en als het brood op de toontafel.
Door in het heilige, Jezus als het Brood, het Woord in zijn/haar ziel te aanvaarden, zal de priester/discipel begrijpen wat de woorden van Jezus betekenen toen Hij zei:

Te dien dage zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u.   (Johannes 14:20)

Als derde voorwerp in het heilige, komt de priester/discipel te staan tot voor het reukofferaltaar.
Hierbij stond de Levitische priester voor het voorhangsel. De priester naar de ordening van Melchisedek staat hierbij echter in het volle zicht van de ark, gezien het voorhangsel scheurde op het moment dat Jezus stierf aan het kruis.

Het heilige der heiligen:
Het heilige der heiligen was de plaats waar God troonde tussen de cherubs op het verzoendeksel van de ark.
Omdat de priester naar de ordening van Melchisedek, bij het reukofferaltaar staat met zijn/haar gezicht gericht op de ark, leert hij/zij hier het volle karakter van God kennen.

Doorheen het eerste gordijn de voorhof binnengaan.

Wanneer iemand zich ervan bewust wordt dat zijn/haar ziel onbevredigd blijft en Jezus aanroept om daar verandering in te brengen en:

  • bereid is te luisteren naar wat Jezus in Zijn Woord onderwijst
  • de verantwoordelijkheid aanvaardt anders te willen leven en zo door de ‘linnen priesterkleding’ bekleed te worden,

is hij/zij klaar om als priester naar de ordening van Melchisedek gewijd te worden, wat in het tweede deel van deze studiereeks wordt beschreven.
Als priester zet hij/zij hierna de eerste stap op de ‘nieuwe en levende weg’ door de voorhof binnen te gaan doorheen het eerste gordijn, de enige toegang tot de tabernakel.

Voor de stevigheid was dit gordijn vervaardigd van getweernd fijn linnen, als veelkleurig weefwerk, volgens Gods opdracht aan Mozes:

En voor de poort van de voorhof een gordijn van twintig el van blauwpurper, roodpurper, scharlaken en van getweernd fijn linnen, veelkleurig weefwerk, …   (Exodus 27:16)

Getweernd: Vlasdraad die bestond uit 6 in elkaar gedraaide vlasgarens.

Betekenis van de kleuren:

  • blauwpurper spreekt van de hemel
  • roodpurper verwijst naar de autoriteit van Jezus als koning
  • scharlaken verwijst naar het verlossingswerk van Jezus als priester

Het gordijn symboliseert Jezus als koning-priester, waarbij hier de nadruk ligt op Jezus als priester.

Doorheen het eerste gordijn de voorhof binnengaan, betekent binnengaan op weg naar het heiligdom, doorheen Jezus Christus, zoals Hij zei:

 Ik ben de deur; als iemand door(heen) Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.   (Johannes 10:9)

De betekenis van het gordijn:
Doorheen het eerste gordijn binnengaan in de voorhof, betekent bekleed worden met het bloed van Jezus.
Jesaja profeteerde:

Komt toch en laat ons tezamen richten, zegt de HERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn (Hebreeuws: rood als de worm), zij zullen worden als witte wol.   (Jesaja 1:18)

Wie tot geloof komt, heeft geleefd zonder de wet van God en is scharlakenrood gekleurd vanwege de zonden.
Scharlakenrood, ook karmozijn genoemd, is de kleur van bloed, de kleur die de worm Coccus Illicis krijgt op het moment dat ze sterft en waarbij ze de larven kleurt.
Het sterven van de worm symboliseert het sterven van Jezus, waardoor vergeving van zonden mogelijk werd door het geloof in Hem.

De priester naar de ordening van Melchisedek, die na de wijding tot priester de voorhof binnengaat doorheen het eerste gordijn, doorheen Jezus, wordt op dat moment bedekt met het scharlakenrode bloed van Jezus. Zo worden de scharlakenrode zonden, uit het verleden van de priester/discipel weggewassen, door ze te bedekken door het scharlakenrode bloed van Jezus.
Dit wordt gesymboliseerd door het eerste offer dat de hogepriester bracht op Grote Verzoendag, het zondoffer, waarvan God zegt dat het gebracht wordt:

… ter wille van hen die onopzettelijk en onwetend zondigen; …   (Ezechiël 45:20)

Of, zoals Paulus schreef, dat de hogepriester op Grote Verzoendag tot voor de ark, de troon van God mocht komen:

… eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonden door het volk in onwetendheid bedreven.   (Hebreeën 9:7)

Zo mag de priester/discipel in de voorhof komen en de reis aanvangen op de nieuwe en levende weg doorheen de tabernakel, vrij van de zonden uit het verleden, zoals Paulus schrijft:

Ook u, die eertijds vervreemd en vijandig gezind waart blijkens uw boze werken, heeft Hij (Jezus) thans weder verzoend, in het lichaam van zijn vlees, door(heen) de dood, om u heilig en onbesmet en onberispelijk voor Zich te stellen, …   (Colossenzen 1:21-22)

Door de eerste stap op de nieuwe en levende weg te zetten, wordt de priester naar de ordening van Melchisedek, door het bloed van Jezus Christus gereinigd van de zonden uit het verleden.

De taken van de priester in de voorhof:

De taken van de Levitische priesters in de voorhof van de tabernakel, bestonden uit:

  • het brengen van de offers op het brandofferaltaar, waarvan het vuur niet mocht doven
  • de handen en voeten wassen bij het wasvat, voordat hij
  • doorheen het tweede gordijn het heiligdom kon binnengaan

Voor de nakomelingen van Aäron waren dit verplichte opdrachten die behoorden bij hun taak als priester.
Voor de discipel die leeft in relatie met Jezus Christus, als priester naar de ordening van Melchisedek, zijn dit geestelijke symbolen die richting geven aan zijn/haar leven.

De betekenis van het brandofferaltaar.

Brandofferaltaar

In de voorhof wordt de priester naar de ordening van Melchisedek als eerste bepaald bij het brandofferaltaar.

Volgens Leviticus 16:24 bracht de hogepriester eenmaal per jaar op Grote Verzoendag hierop een brandoffer:
a. voor zichzelf (en het priesterlijk geslacht)
b. voor het volk

Voor Zichzelf moest Jezus dit brandoffer niet brengen. In de brief aan de Hebreeën wordt in de hoofdstukken over Jezus als hogepriester naar de ordening van Melchisedek beschreven, hoe Hij op het kruis op Golgotha, dit brandoffer (voor het priesterlijk geslacht en) voor het volk:

eens voor altijd heeft gedaan, toen Hij Zichzelf ten offer bracht.
(Hebreeën 7:27)

… waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf.   (Hebreeën 9:12)

 

a. Betekenis van het brandoffer voor het priesterlijk geslacht:
Van het zondoffer wordt vermeld dat de hogepriester dit bracht voor zich en zijn huis.
Bij het brandoffer op Grote Verzoendag wordt dit niet vermeld. Aäron bracht toen zijn brandoffer voor zichzelf en één voor het volk.  (Leviticus 16:24)
Jezus bracht op het kruis van Golgotha geen brandoffer voor Zichzelf. Hij was zonder zonden.
Hij bracht toen enkel het brandoffer voor het volk en meer in het bijzonder voor de priester/discipel die in de voorhof staat.

In dat éne offer op Grote Verzoendag bewerkte Jezus een eeuwige verlossing, waarbij Hij voor de priester/discipel de vloek op de zonden heeft weggenomen, door Zelf de vloek te worden.

Want:

Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt.   (Galaten 3:13)

De discipel van Jezus Christus, gewijd als priester naar de ordening van Melchisedek, ontving vergeving van de zonden uit het verleden, toen hij/zij doorheen het eerste gordijn, d.w.z. door Jezus Christus heen de voorhof binnenging.
Bij het brandofferaltaar in de voorhof, is de priester/discipel ook verzekerd van de vergeving van de zonden die hij/zij begaat op de nieuwe en levende weg, richting de troon van God in het heilige der heiligen van de tabernakel.

Kwijtschelding van de straf op de zonden is echter geen automatisme, maar:

Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.   (1 Johannes 1:9)

Met Jezus bekleed:
In de wet op het brandoffer staat:

De priester die iemands brandoffer brengt, de huid van het brandoffer dat hij brengt, zal voor die priester zijn.   (Leviticus 7:8)

Vooraleer het offerdier op het brandofferaltaar in rook opging, werd het de huid afgetrokken.
Het enige, wat er na het offer van het dier overbleef was de huid, bij wijze van spreken de uiterlijke verschijning.

Het klinkt misschien wat vreemd, maar toen Jezus, na zijn dood en opstanding weer terugging naar de Vader, bleef als het ware enkel zijn ‘uiterlijke verschijning’ achter in deze wereld.

Deze uiterlijke verschijning is het beeld van de gemeente, de verzameling van de priesters/discipelen wereldwijd, zoals Paulus schrijft:

Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed.    (Galaten 3:27)

Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld.   (Colossenzen 3:12)

Bekleden en aandoen is de vertaling van ‘enduo’, wat betekent: binnenin gaan, verzinken in.
Zich bekleden met Christus of, in de huid van Jezus Christus kruipen, betekent de gezindheid van Jezus Christus in het hart ontvangen. Zo wordt door de handel en wandel van de priester/discipel Jezus zichtbaar gemaakt in de wereld.

b. Betekenis van het brandoffer voor het volk:
Door Zichzelf op het kruis van Golgotha als een offerde te brengen, bracht Jezus een volkomen verzoening, niet alleen voor de priesters/discipelen, maar ook voor het volk.

En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft en ons de bediening der verzoening gegeven heeft, welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toevertrouwd.   (2 Corinthiërs 5:18-19)

Door het offer van Jezus Christus te aanvaarden, heeft de priester naar de ordening van Melchisedek zich verzoend met God.
Daarbij heeft hij tevens de opdracht gekregen, verzoenend in de wereld te staan.

Jezus leefde in volkomen gehoorzaamheid aan de Vader. Ondanks zijn persoonlijke wensen en verlangens heeft Hij Zichzelf weggecijferd, om de uiterst moeilijke weg van het kruis te kunnen gaan.
Hij legde zijn leven op het brandofferaltaar, opdat de mensen zich zouden kunnen verzoenen met God.

Zo roept Paulus ook de priesters naar de ordening van Melchisedek op:

Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden van God, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke (logische) eredienst.   (Romeinen 12:1)

Want niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf; want als wij leven, het is voor de Here (letterlijk: hetzij wij leven voor de Here), en als wij sterven, het is voor de Here (letterlijk: hetzij wij sterven voor de Here). Hetzij wij dan leven, hetzij wij sterven, wij zijn van de Here.   (Romeinen 14:7-8)

Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond u vermaande; in naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen.   (2 Corinthiërs 5:20)

De priester naar de ordening van Melchisedek heeft de opdracht uit te gaan als gezant van Jezus Christus en de wereld op te roepen zich met God te verzoenen.

Daarom gaf Jezus ook de opdracht:

Gaat dan heen, maakt al de volken tot mijn discipelen … en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.   (Mattheüs 28:19)

Opmerking:
Het vuur op het brandofferaltaar werd voor het eerst ontstoken door God zelf, bij de inwijding van de tabernakel (Leviticus 9:24). Het moest altijd blijven branden.
Dit betekent dat Jezus altijd bereid is om de zonden te vergeven en dat voor de priester/discipel de weg altijd open is om zich met God te verzoenen.

Zo moet ook de priester naar de ordening van Melchisedek, met voorbijzien van persoonlijke wensen en verlangens, steeds bereid zijn te vergeven en verzoening tot stand te brengen.

In de voorhof komt de priester/discipel ook voor het wasvat te staan op zijn/haar weg doorheen de tabernakel.
Dit wordt besproken in de volgende studie in deze reeks.

 

Deze studie downloaden in PDF:
De priester naar de ordening van Melchisedek (3).