Leviticus 16:1-3 – Jezus stelt zich beschikbaar

Deze deelstudie is een toelichting bij Leviticus 16 – De Dag van Verzoening.

Leviticus 16:1 (Inleiding)

Na de dood van de beide zonen van Aäron, die gestorven waren, toen zij voor het aangezicht des HEREN waren genaderd (Leviticus 10:1-2), sprak de HERE tot Mozes.

Leviticus 16:2-3

De HERE nu zei tot Mozes: Spreek tot uw broeder Aäron, dat hij niet te allen tijde kome in het heiligdom binnen het voorhangsel voor het verzoendeksel dat op de ark ligt, opdat hij niet sterve; want in de wolk verschijn Ik boven het verzoendeksel. Slechts op deze wijze zal Aäron het heiligdom binnengaan: met een jonge stier ten zondoffer en een ram ten brandoffer.

Omdat hogepriester Aäron op de Dag van verzoening het heilige der heiligen moest binnengaan, moest hij op die dag twee offers voor zichzelf brengen, eerst een zondoffer en later op de dag ook een brandoffer.

In het leven van Jezus.

De dieren die hogepriester Aäron voor zijn offers selecteerde waren waarschijnlijk al eerder op de dag uitgekozen en in de nabijheid van de tent der samenkomst gebracht. Deze dieren kwamen niet vrijwillig naar de tent der samenkomst om te sterven.
Jezus kwam wél vrijwillig naar de aarde, om de relatie tussen God en mensen te herstellen, terwijl Hij zich er ten volle van bewust was, dat Hij daarvoor zou moeten sterven aan een kruis.
Voordat God de wereld schiep, had Jezus zich trouwens al beschikbaar gesteld.
Petrus en Paulus schrijven:

Hij (Jezus) was van tevoren gekend, voor de grondlegging van de wereld, doch is bij het einde van de tijd geopenbaard ter wille van u, die door Hem gelooft in God, …   (1 Petrus 1:20-21)

Hij (God) heeft ons immers in Hem (Jezus) uitverkoren voor de grondlegging van de wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht, in de liefde.   (Efeziërs 1:4)

In de brief aan de Hebreeën worden verschillende hoofdstukken gewijd aan Jezus als hogepriester.
Zo staat in hoofdstuk 10, met een aanhaling uit Psalm 40:7-9:

Daarom zegt Hij (Jezus) bij zijn komst in de wereld: Slachtoffer en offergave hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid; in brandoffers en zondoffers (de offers die op de Dag van Verzoening gebracht werden) hebt Gij geen welbehagen gehad. Toen zei Ik (Jezus): zie, hier ben Ik – in de boekrol staat van Mij geschreven – om uw wil, o God, te doen.   (Hebreeën 10:5-7)

Hij heft het eerste op, om het tweede te laten gelden. Krachtens die wil zijn wij eens voor altijd geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus.   (Hebreeën 10:9-10)

Want:

Christus, opgetreden als hogepriester van de goederen, die gekomen zijn, is door de grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping, en dat niet met het bloed van bokken en (stier)kalveren (van de zondoffers op de Dag van Verzoening), maar met zijn eigen bloed eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf.   (Hebreeën 9:11-12)

Bokken, waren bestemd voor het zondoffer voor het volk. Jezus stierf als zondoffer voor het volk, wat uitgelegd wordt in verschillende deelstudies die hierna volgen.
(Stier)Kalveren, waren bestemd voor het zondoffer, dat hogepriester Aäron moest brengen voor zichzelf (de verzen 2 en 3) en uit de verzen 6 en 11 blijkt ook voor zijn huis.
Jezus bracht Zichzelf als zondoffer in de eerste plaats voor Zichzelf, voor de aanvaarding van zijn ambt als hogepriester op aarde (zie hieronder), maar ook voor zijn huis, het priesterlijk geslacht naar de orde van Melchisedek.

Jezus aanvaardt het ambt van hogepriester op aarde:

Voor de dienst in de tent der samenkomst had God Aäron uit het geslacht van Levi uitverkoren, om het ambt van hogepriester te bekleden en zijn mannelijke nakomelingen als priesters.
Dit wordt beschreven in Exodus 29. Pas daarna, in de hoofdstukken 36 tot 39 werden de voorwerpen van de tent der samenkomst vervaardigd en in hoofdstuk 40 werd de tent der samenkomst door Mozes opgericht.
Vooraleer Aäron en zijn zonen hun taken in de tent der samenkomst konden vervullen, moesten zij eerst officieel in het priesterambt bevestigd worden. Daarbij moest Aäron de nodige offers brengen voor zichzelf en voor zijn zonen. Dit staat beschreven in Leviticus 9.
Die dag gaf Mozes aan Aäron de opdracht voor zijn offers als hogepriester:

Neem u een kalf, een jong rund, ten zondoffer, en een ram ten brandoffer, beide gaaf, en breng ze voor het aangezicht des HEREN. (Leviticus 9:2)

De dienst in de tent der samenkomst nam pas officieel een aanvang, nadat Aäron het nodige van de offers van zijn ambtsaanvaarding op het brandofferaltaar had gebracht en God Zelf het vuur ontstak op het brandofferaltaar:

En er ging vuur uit van de HERE en dit verteerde op het altaar het brandoffer en de vetstukken (van het zondoffer); toen het volk dat zag, juichten allen en wierpen zich op hun aangezicht.   (Leviticus 9:24)

Merk op dat de offerdieren bij de ambtsaanvaarding, overeenkomen met die van de offers die Aäron elk jaar op de Dag van Verzoening voor zichzelf moest brengen (zie de verzen 2 en 3). Hieruit kan opgemaakt worden dat hij en zijn opvolgers, bij de aanvang van hun taak op de Dag van Verzoening, daarmee telkens hun aanstelling als hogepriester moesten bevestigen.

De dag van Verzoening was de voorafschaduwing van de kruisdood van Jezus Christus.
Hij was al eeuwen tevoren aangeduid als hogepriester, zoals in Psalm 110 staat:

De HERE heeft gezworen en het berouwt Hem niet: Gij zijt priester voor eeuwig, naar de wijze van Melchisedek.   (Psalmen 110:4)

Hogepriester Aäron die de offers voor zichzelf bracht, was tevens de voorafschaduwing van Jezus Christus, die Zichzelf offerde.
Nadat Kajafas zijn ambt al hogepriester beëindigde tijdens het verhoor, werd Jezus, die al eeuwen
tevoren was aangesteld als Hogepriester naar de orde van Melchisedek (Psalmen 110:4), bevestigd in Zijn ambt als hogepriester op aarde, door de offers van de hogepriester in zijn lichaam als mens, te volbrengen aan het kruis. Voor Jezus is dit een eeuwige aanstelling als hogepriester, bevestigd door zijn opstanding uit de dood, zoals in de brief aan de Hebreeën staat:

… doch Hij heeft, juist doordat Hij in eeuwigheid blijft, een priesterschap, dat op geen ander kan overgaan. Daarom kan Hij ook volkomen behouden, wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten. Immers, zulk een hogepriester hadden wij ook nodig: heilig, zonder schuld of smet, gescheiden van de zondaren en boven de hemelen verheven; die niet, gelijk de hogepriesters, van dag tot dag eerst offers voor zijn eigen zonden behoeft te brengen en daarna voor die van het volk, want dit laatste heeft Hij eens voor altijd gedaan, toen Hij Zichzelf ten offer bracht.   (Hebreeën 7:24-27)

Dat Jezus zijn ambt als hogepriester naar de orde van Melchisedek pas officieel aanvaard heeft, door de offers van de Dag van Verzoening in zijn menselijk lichaam te volbrengen aan het kruis, wordt bevestigd in het begin van de brief aan de Hebreeën, waar staat:

Deze (Jezus), de afstraling van zijn heerlijkheid (de heerlijkheid van God) en de afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord van zijn kracht, heeft, na de reiniging van de zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge, zoveel machtiger geworden dan de engelen, als Hij uitnemender naam boven hen als erfdeel ontvangen heeft. (Hebreeën 1:3-4)

Wordt vervolgd in: Leviticus 16:4 – Einde Levitisch priesterschap.

Deze studie downloaden als PDF:
Leviticus 16:1-3 – Jezus stelt zich beschikbaar.