Drie momenten in het lijden van Jezus
Deze studie is geen uitleg over de betekenis van het lijden en sterven van Jezus Christus, maar beschrijft drie belangrijke momenten op zijn lijdensweg:
- Zijn worsteling in de hof van Gethsémane.
- Het moment dat Hij gekruisigd werd.
- De duisternis van het zesde tot het negende uur.
De worsteling van Jezus in de hof van Gethsémane.
Jezus zal tijdens zijn leven meerdere keren geconfronteerd geweest zijn met de verschrikkingen van de kruisiging en Hij kende de profetieën en wist dat Hij deze wereld niet zou verlaten en teruggaan naar zijn Vader, vooraleer Hij zou sterven aan een kruis.
Tegen het einde van zijn leven op aarde zei Hij dan ook tegen zijn discipelen:
Ik moet gedoopt worden met een doop, en hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is. (Lukas 12:50)
Toen Jezus met zijn discipelen het Pascha gevierd had en wist dat zijn tijd gekomen was:
Ging Jezus met hen naar een plaats, genaamd Gethsémane, en Hij zei tot de discipelen: Zet u hier neder, terwijl Ik heenga om daar te bidden.
Toen zei Hij tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt met Mij.
En Hij ging een weinig verder en Hij wierp Zich met het aangezicht ter aarde en bad, zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt. (Mattheüs 26:36,38-39)
(Zie ook: Marcus 14:32-36, Lucas 22:39-42)
In Lukas 12:50 sprak Jezus over een doop die Hij moest ondergaan.
Maar wat bedoelde Hij dan in de hof van Gethsémane, toen Hij zijn Vader vroeg om deze beker van Hem af te nemen?
Jezus had al eens eerder over deze beker gesproken, namelijk toen Jakobus en Johannes Hem vroegen of zij aan de rechter en linkerzijde van Hem mochten zitten in zijn heerlijkheid.
Doch Jezus zei tot hen: Gij weet niet, wat gij vraagt. Kunt gij de beker drinken, die Ik drink, of met de doop gedoopt worden, waarmede Ik gedoopt word? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen het.
Jezus zei tot hen: De beker, die Ik drink, zult gij drinken en met de doop, waarmee Ik gedoopt word, zult gij gedoopt worden, maar het zitten aan mijn rechterzijde of linkerzijde, staat niet aan Mij te geven, maar het is voor hen, voor wie het bereid is. (Markus 10:38-40)
Jezus sprak op dat moment over dezelfde gebeurtenis en noemde die hier de beker die Hij moest drinken en ook de doop, waarmee Hij gedoopt moest worden.
Zonder te beseffen wat dit betekende zeiden Jakobus en Johannes, dat zij dat konden en Jezus bevestigde hen dat dit ook zou gebeuren.
Vaak wordt gezegd dat de worsteling van Jezus in Gethsémane te maken had met de beker van de zonden van de hele wereld, van verleden, heden en toekomst, die Hij tot op de laatste druppel moest leegdrinken en dat Jezus daardoor zo gespannen was, dat zijn zweet uiteindelijk bloederig werd.
Als de beker, waar Jezus over sprak, de beker van de zonden van de wereld geweest zou zijn, die ook Jakobus en Johannes konden drinken, dan zouden gewone mensen in staat geweest zijn om de zonden van de wereld weg te nemen. Dat is onmogelijk omdat alleen Jezus dat kon, zoals Johannes de doper zei:
Zie, het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt (wegdraagt). (Johannes 1:29)
In het Oude Testament waren de offers op de Dag van Verzoening de voorafschaduwing van Jezus, die zonder zonden was en later de offers van die dag in Zijn lichaam zou volbrengen als het volmaakte offer, tot vergeving van zonden door het geloof in Hem.
Hij stierf aan het kruis als het volmaakte zondoffer voor het volk, dat op deze dag gebracht werd.
Op de Dag van Verzoening bestond dit zondoffer uit twee bokken en werd het bloed van de eerste bok, dat geofferd werd, gesprenkeld op en vóór de ark. Dit sprenkelen van het bloed was er de voorafschaduwing van dat de mens die, om bevrijd te worden van de zonden, zijn vertrouwen op Jezus stelt en door dit geloof volkomen geheiligd en van zonden gereinigd wordt. Zo kan een mens, door het geloof in Jezus Christus, een volkomen nieuw leven ingaan, vrij van de zonden uit het oude leven, zonder dat die op dat moment benoemd zijn.
Op de Dag van Verzoening werden die zonden later op de kop van de tweede bok gelegd, die de zonden naar de woestijn droeg, naar een onvruchtbare plaats.
Vergeving van zonden maakt deel uit van het verbond tussen God en de mensen, die hun vertrouwen op Jezus Christus stellen, zoals Jezus zelf zei:
Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. (Mattheüs 26:28)
In de hof van Gethsémane heeft Jezus onze zonden niet op voorhand gedronken, dus niet voordat Hij aan het kruis genageld werd. Jezus heeft de zonden, van wie in Hem gelooft, niet in zijn lichaam inwendig tot Zich opgenomen.
In zijn sterven heeft Jezus de zonden van de gelovige afgenomen, zoals Johannes de Doper eerder geprofeteerd had, en zoals de tweede bok van het zondoffer voor het volk de zonden van de gelovige weggedragen heeft, de vergetelheid in.
Petrus schrijft hierover dat Jezus:
… zelf onze zonden in (ook: met) zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; … (1 Petrus 2:24)
De angst van Jezus in Gethsémane kon onmogelijk te maken hebben met het drinken van de beker van de zonden.
Wat Jezus bedoelde, toen Hij eerder over de beker sprak is, dat Hij de beker van het lijden moest drinken, dat Hij in het lijden ondergedompeld moest worden, door te sterven aan het kruis.
Hij had eerder al gezegd dat de profetieën over Hem in vervulling moesten gaan, wat betekende dat Hij deze weg, uit plicht en gehoorzaamheid aan zijn Vader, moest gaan.
Omdat Jezus zonder zonden was, was Hij de enige die plaatsvervangend, de straf op de zonden, de dood op Zich kon nemen, door te sterven aan het kruis.
In zijn strijd in Gethsémane moet Jezus zich afgevraagd hebben, of Hij deze verschrikkelijke marteling aan het kruis vrijwillig zou kunnen volhouden tot de dood.
In deze strijd kwam God Zijn Zoon echter te hulp:
En Hem verscheen een engel uit de hemel om Hem kracht te geven. En Hij werd dodelijk beangst en bad des te vuriger. En zijn zweet werd als bloeddruppels, die op de aarde vielen. (Lukas 22:43-44)
Uiteindelijk aanvaardde Jezus de weg van het kruis te gaan en liet Hij zich gevangennemen.
Toen de soldaten kwamen om Hem te arresteren, probeerde Petrus zijn arrestatie te voorkomen met het zwaard en sloeg het rechter oor af, van de slaaf van de hogepriester.
Jezus bestrafte hem echter en zei:
… de beker, die de Vader Mij gegeven heeft, zou Ik die niet drinken? (Johannes 18:11)
De beker waar Jezus hier over sprak had Hij niet gedronken in Gethsémane.
De gevangenneming was de eerste stap op de weg van het lijden, de eerste stap in het drinken van deze beker, de eerste stap naar de doop, de onderdompeling in het lijden.
Het moment dat Jezus gekruisigd werd.
Op het moment dat de soldaten Hem kruisigden zei Jezus:
Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. (Lukas 23:34)
De kruisiging herinnert aan Abraham, die door God gevraagd was om zijn zoon Izaäk te offeren.
God wees Abraham ook de plaats aan, waar hij dat moest doen, namelijk in het land Moria, waar later Jeruzalem gebouwd zou worden. Aan de oostkant van deze stad ligt de berg Moria, waarop koning Salomo de tempel bouwde.
Op deze berg bouwde Abraham dus een altaar, schikte daarop het hout, bond zijn zoon en legde hem op het hout op het altaar, op de plaats waar later alle offers gebracht moesten worden, ook de offers op de Dag van Verzoening, die de voorafschaduwing waren van het volmaakte offer dat Jezus zou volbrengen aan het kruis.
Maar, toen Abraham zijn hand uitstrekte om zijn zoon te slachten, riep de Engel van de Here tot hem van de hemel:
Strek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik, dat gij godvrezend zijt, en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden.
Toen sloeg Abraham zijn ogen op en daar zag hij een ram achter zich, met zijn horens verward in het struikgewas. En Abraham ging en nam de ram en offerde hem ten brandoffer in plaats van zijn zoon. (Genesis 22:12-13)
Het is mogelijk dat, op het moment dat de soldaten Hem aan het kruis nagelden, Jezus ervaren heeft dat zijn Vader weer tussenbeide zou komen, om te verhinderen dat Zijn Zoon zo zwaar gepijnigd zou worden, net zoals Hij tussenbeide kwam bij Abraham, op het moment dat hij zijn zoon zou slachten.
Daarom vroeg Hij zijn Vader om de soldaten te vergeven en hen hun werk te laten doen, hun militaire opdracht te laten uitvoeren.
Zoals Hij in Gethsémane aan zijn Vader gebeden had, had Jezus op dat moment de kruisiging kunnen voorkomen, nu door de tussenkomst van zijn Vader.
Hij had in gehoorzaamheid de opdracht van zijn Vader in Gethsémane aanvaard.
Het was nu uit vrije wil dat Jezus ervoor koos om gekruisigd te worden, voor de verlossing van de wereld.
Abraham offerde uiteindelijk een ram, dat plaatsvervangend stierf in plaats van Izaäk.
Jezus koos ervoor om plaatsvervangend te sterven, als de ram van het brandoffer voor het volk op de Dag van Verzoening, voor een ieder die Zijn offer zou aanvaarden tot vergeving van hun zonden.
De duisternis van het zesde tot het negende uur.
In de evangeliën wordt vermeld:
En van het zesde uur af kwam er duisternis over het gehele land tot het negende uur. (Mattheüs 27:45, ook Markus 15:33, Lukas 23:44)
Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem, zeggende: Eli, Eli, lama sabachtani? Dat is: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Mattheüs 27:46, ook Markus 15:34)
En Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest. (Markus 15:37-38, ook Mattheüs 27:45, Lukas 23:46)
Jezus werd gekruisigd omstreeks het derde uur van de dag (negen uur onze tijd). Vastgenageld aan het kruis leed Hij onmenselijke pijnen en werd daarbij door de overpriesters, schriftgeleerden en oudsten bespot en uitgedaagd om Zichzelf te bewijzen en van het kruis af te komen.
Toen dit drie uur lang aan de gang was, kwam er op het zesde uur van de dag (twaalf uur onze tijd) een duisternis over het gehele land. Dit was geen zonsverduistering, want die duurt slechts enkele minuten.
Dit was een diepe duisternis, waardoor de mensen geen hand voor de ogen konden zien.
Na drie uur diepe duisternis, omstreeks het negende uur (15 uur onze tijd), trok de duisternis op en riep Jezus met luide stem, vlak voordat Hij stierf: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?
Vaak wordt gezegd dat Jezus hier zijn Vader aanriep als ‘mijn God’, omdat God de relatie met zijn Zoon verbroken zou hebben, waardoor Jezus zich volkomen door Zijn Vader verlaten voelde.
De duisternis zou dan betekenen dat God, nadat Jezus al drie uur aan het kruis hing, het niet meer kon aanzien, dat Zijn Zoon bedekt was met al de zonden van de hele wereld, door het drinken van de beker van de zonden in Gethsémane en dat Hij Zich van Zijn Zoon afgekeerd zou hebben, waardoor er een diepe duisternis over de wereld kwam en dat Jezus, na drie uur duisternis, aan God vroeg waarom Hij Hem verlaten had.
Maar zou God, als liefdevolle Vader, Zich werkelijk van Jezus afgekeerd hebben, op het moment dat Zijn Zoon vrijwillig de wil van zijn Vader uitvoerde, teneinde verlossing en licht te brengen in een duistere wereld, waarbij Hij worstelde met onmenselijke pijnen en bespotting door mensen?
Jezus werd aan het kruis bovenmenselijk verzocht, lichamelijk en geestelijk. Een marteling waar Hij vrijwillig voor gekozen had, opdat de mensen opnieuw in relatie met hun Hemelse Vader zouden kunnen leven. In die vreselijke worsteling zou God Zijn Zoon aan zijn lot overgelaten hebben??
Nee! Dat is het karakter van God niet, integendeel.
Paulus schreef aan de gemeente in Corinthe:
Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt. (1 Corinthiërs 10:13)
God liet Zijn Zoon niet in de steek.
Hij kwam Jezus juist te hulp, door Hem te omhullen met een diepe duisternis, zoals David in een lied schreef:
En Hij stelde het duister tot een beschutting (schuilplaats) rondom Zich: … (2 Samuël 22:12, Psalmen 18:12, ook Amos 8:9-10)
Door de diepe duisternis konden de mensen rond het kruis niets meer zien. Ze waren hun oriëntatie volkomen kwijt en moeten angstig om zich heen gekeken hebben.
In die verwarring zullen ze Jezus niet langer bespot en uitgedaagd hebben, zodat het stil werd rond het kruis.
Trouwens, toen na drie uur de duisternis weer optrok en vlak voordat Jezus de geest zou geven, riep Hij: Mijn God, Mijn God waarom hebt Gij mij verlaten?
Toen haalde Hij het eerste vers van Psalm 22 aan, de Psalm die 1.000 jaar eerder uitvoerig had beschreven wat er rond de kruisiging van Jezus zou gebeuren.
Jezus sprak hier bij zijn uitroep niet tot Zijn Vader, maar citeerde dit eerste vers van Psalm 22 voor de mensen die Hem bespotten, een Psalm die de Farizeeën en zoveel andere mensen die rond het kruis stonden vanbuiten gekend moeten hebben. Bij het citeren van het eerste vers werden zij eraan herinnerd wat er in die Psalm beschreven staat, precies datgene wat voor hun ogen plaatsgevonden had:
Vers 7 – Maar ik ben een worm en geen man, een smaad voor de mensen en veracht door het volk.
(Opmerking: Deze ‘worm’ moet bij de Farizeeën bekend zijn geweest, gezien uitsluitend deze ‘worm’ de grondstof mocht leveren voor de scharlaken rode kleur, gebruikt voor de gordijnen en de kleding in de tabernakel/tempel.)
Vers:8 – Allen die mij zien, bespotten mij, zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd: …
Vers 9 – Wentel het op de HERE – laat die hem verlossen, hem redden, Hij heeft immers welgevallen aan hem!
Vers 15: Als water ben ik uitgestort en al mijn beenderen zijn ontwricht; mijn hart is geworden als was, het is gesmolten in mijn binnenste;
Vers 16 – … verdroogd als een scherf is mijn kracht, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; in het stof van de dood legt Gij mij neer.
Vers 17: – Want honden hebben mij omringd, een bende boosdoeners heeft mij omsingeld, die mijn handen en voeten doorboren.
Vers 18: – Al mijn beenderen kan ik tellen; zij kijken toe, zij zien met leedvermaak naar mij.
Vers 19: – Zij verdelen mijn klederen onder elkander en werpen het lot over mijn gewaad.
In een laatste poging probeerde Jezus de omstaanders ervan te overtuigen wie Hij is: de beloofde Messias.
Zie ook de studie over Markus 15:34 – Mijn God mijn God.
Deze studie downloaden in PDF:
Drie momenten in het leven van Jezus.



